De jongen liep met moeite voort door een hoog boschje anemonen, dat hem bijna tot de kin reikte, toen hij voelde, dat iemand hem van achteren aangreep, en probeerde hem op te lichten. Hij keek om, en zag, dat een kraai hem bij zijn hemdkraag vast had. Hij probeerde zich los te rukken, maar vóór dit hem gelukt was, kwam gauw nog een kraai, pakte hem bij zijn eene kous, en gooide hem op den grond.
Als Niels Holgersson maar gauw om hulp geroepen had, zou de witte ganzerik hem stellig hebben kunnen bevrijden, maar de jongen meende zeker, dat hij zich alleen wel tegenover een paar kraaien kon redden. Hij schopte en sloeg, maar de kraaien lieten niet los, en het gelukte hun met hem op te vliegen. Daarbij gingen ze zoo onvoorzichtig te werk, dat zijn hoofd tegen een tak sloeg. Hij kreeg een harden slag op de hersens, het werd donker voor zijn oogen, en hij werd bewusteloos.
Toen hij weer bijkwam, was hij hoog boven in de lucht. Langzaam werd hij weer helder. In het begin wist hij niet, waar hij was, en wat hij zag. Als hij naar beneden keek, was 't hem, alsof onder hem een reuzengroote, wollige mat lag, doorweven met groen en bruin in groote onregelmatige figuren. Die mat was heel dik en prachtig, maar hij vond, dat het zonde was, dat ze zoo verwaarloosd was. Zij was heelemaal kapot; er liepen groote scheuren door, en hier en daar waren er heele stukken uitgescheurd. En 't wonderlijkste was, dat ze scheen te liggen op een spiegelvloer, want door de gaten en scheuren heen scheen helder glimmerend glas.
Wat de jongen daarna zag, was, dat de zon opkwam aan den hemel. Dadelijk begon het spiegelglas onder de gaten en spleten in de mat te glanzen in rood en goud. Dat stond prachtig, en de jongen genoot van de mooie kleurschakeeringen, hoewel hij niet recht wist, wat hij zag. Maar nu daalden de kraaien neer, en op eens merkte hij, dat de groote mat onder hem de aarde was, bekleed met groene dennenbosschen en bruin, kaal loofhout, en dat de scheuren en gaten de blanke plassen en meertjes waren.
Hij herinnerde zich hoe hij, toen hij voor 't eerst hoog in de lucht geweest was, had gevonden, dat de aarde in Skaane er uitzag als een geruit stuk goed. Maar dit land, dat op een gescheurde mat leek, wat zou dat zijn?
Allerlei vragen kwamen in hem op. Waarom zat hij niet op den rug van den witten ganzerik? Waarom vloog er een zwerm kraaien om hem heen? En waarom werd hij heen en weer gerukt en geslingerd, zoodat hij bijna kapot ging?
Op eens werd hem dit alles duidelijk. Hij was weggeroofd door een paar kraaien. De witte ganzerik lag aan het strand op hem te wachten, en de wilde ganzen zouden vandaag naar Oost-