Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/140

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

gothland op reis gaan. Zelfs werd hij naar het zuidwesten meêgenomen; dat begreep hij, doordat hij de zon achter zich had.

"Hoe zal het nu met den witten ganzerik gaan, als ik niet op hem passen kan?" dacht de jongen, en hij begon de kraaien toe te roepen, dat ze hem dadelijk naar de ganzen terug moesten brengen. Hij was heelemaal niet bezorgd over zichzelf. Hij meende, dat ze hem bij vergissing meênamen.

De kraaien stoorden zich geen zier aan zijn geroep, maar vlogen voort, zoo hard ze konden. Een poos later sloeg een van hen met de vleugels op een manier, die beteekent: "Pas op, er is gevaar!" Dadelijk daarna doken ze neer in een dennenbosch, drongen door de reusachtige takken heel tot op den grond in het woud, en zetten den jongen neer onder een grooten tak, waar hij zoo goed verborgen was, dat zelfs geen valk hem in het oog had kunnen krijgen.

Vijftig kraaien gingen om den jongen heen staan, met de snavels naar elkaar toe gekeerd, om hem te bewaken.

"Nu kan ik zeker wel gewaarworden, kraaien waarom jelui me hebt meêgenomen?" Maar hij had nauwelijks uitgesproken, voor een groote kraai hem toesnauwde: "Houd je stil! Anders pik ik je oogen uit!"

't Was duidelijk, dat de kraai meende wat hij zei, en de jongen kon alleen gehoorzamen. Toen zat hij daar en keek de kraaien aan, en de kraaien keken hem aan.

Hoe langer hij ze aankeek, hoe minder hij met ze ingenomen werd.

't Was vreeselijk, zoo stoffig en slecht onderhouden hun vleugels waren, precies alsof ze van geen baden of invetten wisten. Hun teenen en pooten waren vuil van aangedroogde aarde, en ze hadden overblijfselen van eten in de mondhoeken. 't Waren andere vogels dan wilde ganzen, dàt kon hij wel merken. Hij vond, dat ze er wreed, valsch uitgeslapen en brutaal uitzagen, als boeven en landloopers.

"'t Is zeker een echte rooverstroep, waar ik tusschen geraakt ben," dacht hij.

Op 't zelfde oogenblik hoorde hij den lokroep van de wilde ganzen boven in de lucht: "Waar ben je? Hier ben ik! Waar ben je? Hier ben ik!"

Hij begreep, dat Akka en de anderen waren uitgegaan om hem te zoeken, maar eer hij antwoorden kon, snauwde de groote kraai, die den aanvoerder van de bende scheen, hem in 't oor:

"Denk aan je oogen!" En hij kon niet anders dan zwijgen.

De wilde ganzen wisten zeker niet, dat hij zóó dicht bij hen was, maar vlogen stellig toevallig over dit bosch. Hij hoorde hun roepen nog een paar keer; toen stierf het weg.