Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/141

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

"Ja, nu moet je jezelf redden. Niels Holgersson," zei hij tot zichzelf. "Nu moet je toonen, dat je wat geleerd hebt in die weken, dat je in de wildernis hebt gewoond."

Een poos later maakten de kraaien aanstalten om op te breken, en toen ze ook nu van plan schenen hem op dezelfde manier meê te nemen, dat de een hem bij den hemdkraag vasthield en de andere bij een kous, zei de jongen: "Is er nu niemand onder jelui kraaien, die zoo sterk is, dat hij mij op den rug kan dragen? Jelui hebt me al zoo slecht behandeld, dat ik een gevoel heb, alsof ik in stukken gebroken ben. Laat me maar rijde. Ik zal niet van den kraaienrug springen, dat beloof ik jelui."

"Verbeeld je maar niet, dat we er iets om geven, hoe je het hebt," zei de aanvoerder; maar nu kwam de grootste kraai, een slordige, grove, die een witte veer in den vleugel had, naar voren en zei: "'t Zou toch voor ons allemaal beter zijn. Windsnel, als Duimelot in zijn geheel overkwam, dan dat hij stuk ging, en daarom wil ik probeeren hem op mijn rug te dragen."

"Als je dat kunt, Haspel, heb ik er niets tegen," zei Windsnel; "maar laat hem niet vallen."

Hiermeê was al veel gewonnen, en de jongen voelde zich weer recht in zijn schik.

"'t Is niet noodig, dat ik den moed verlies, omdat ik door de kraaien ben meêgenomen," dacht hij. "Met die stakkers zal ik 't wel vinden."

De kraaien vlogen steeds naar het zuidwesten over Smaland. 't Was een prachtige morgen, zonnig en kalm, en de vogels beneden op de aarde waren ijverig bezig hun liefdesliederen te zingen. In een hoog, donker bosch zat de lijster zelf met hangende vleugels en een dikke keel boven in een dennetop, en sloeg wat hij kon.

"Wat ben je mooi, wat ben je mooi!" zong hij. "Niemand is zoo mooi, niemand is zoo mooi!" En zoodra hij dat liedje uitgezongen had, begon hij opnieuw.

Maar toen werd de jongen juist over 't bosch gedragen, en toen hij dat liedje een paar keer gehoord had, en begreep, dat de lijster geen ander kende, zette hij de beide handen voor den mond, en riep naar beneden: "Dat hebben we meer gehoord! Dat hebben we meer gehoord!"

"Wie is dat?, wie is dat? wie houdt me voor den gek?" vroeg de lijster, en probeerde te zien, wie geroepen had.

"Dat is Kraaienroof, die met je liedje spot," antwoordde de jongen. De kraaienaanvoerder keerde toen den kop om, en zei:

"Pas op je oogen. Duimelot." Maar de jongen dacht: "Neen, daar geef ik niet om. Ik wil juist toonen, dat ik niet bang voor je ben."