Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/142

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

Steeds verder vlogen ze het land in, en bosschen en meren waren overal. In een berkenhaag zat een houtduif op een kalen tak, en voor haar stond de doffer. Hij zette zijn veeren op, boog den hals, liet zijn lichaam op en neer gaan, zoodat zijn borstveeren langs den tak ruischten. Soms kirde hij. "Jij, jij, jij ben de mooiste in 't bosch. Niemand is zoo mooi als jij, jij, jij!"

Maar boven in de lucht vloog de jongen voorbij, en toen hij den doffer hoorde, kon hij zich niet stilhouden. "Geloof hem niet, geloof hem niet," riep hij. "Wie... wie... wie is dat, die zegt, dat ik jok?" kirde de doffer, en probeerde te zien, wie daar tegen hem schreeuwde.

"Dat is kraaienvangst! die zegt, dat je jokt!" antwoordde de jongen. Weer keerde Windsnel den kop naar den jongen, en beval hem te zwijgen. Maar Haspel, die hem droeg, zei: "Laat hem toch praten dan denken de vogeltjes, dat wij, kraaien aardige, grappige vogels geworden zijn."

"Zij zijn toch zoo dom niet," zei Windsnel, maar hij vond dat idee toch wel goed, want van toen af liet hij den jongen roepen, zooveel hij wilde.

Zij vlogen meest over bosschen en boschrijke streken, maar er waren natuurlijk ook kerken en dorpen en hutjes aan den zoom van 't bosch. Zij zagen een oude, welvarende hoeve. Die lag met het bosch achter zich en 't meer voor zich, had roode muren en een dak met gebroken lijnen, geweldige ahornboomen om de plaats, en groote kruisbesplanten vol lange takken in den tuin. Boven op den windhaan zat de spreeuw, en zong zoo hard, dat het wijfje, dat in 't nestje in den pereboom zat te broeden, elken toon kon hooren. "We hebben vier mooie eitjes," zong de spreeuw. "We hebben vier mooie ronde eitjes. We hebben 't heele nest vol met prachtige eieren."

Toen de spreeuw dit liedje voor den duizendsten keer zong, vloog de jongen over de hoeve. Hij zette de handen voor den mond als een pijp, en riep: "De ekster zal ze opeten, de ekster zal ze opeten!"

"Wie is dat, die me bang wil maken?" vroeg de spreeuw, en sloeg onrustig met de vleugels.

"Dat is de kraaienvangst, die je bang maakt," zei de jongen. En dien keer probeerde de kraaienaanvoerder niet den jongen stil te houden. Integendeel vonden hij en de heele troep het zoo aardig, dat ze krasten van plezier.

Hoe verder ze het land invlogen, hoe grooter de meren werden, en hoe rijker de streek aan eilanden en landtongen werd. En aan het strand stond de woerd te buigen voor zijn bruidje. "Ik zal je mijn heele leven trouw blijven, ik zal je mijn heele leven trouw blijven," zei hij.