Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/143

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

"Dat duurt maar, tot de zomer voorbij is," riep de jongen in 't voorbijgaan.

"Wie ben jij?" riep de woerd.

"Ik heet "door de kraaien gestolen"," schreeuwde de jongen.

Tegen den middag sloegen de kraaien neer op een openbare weide. Ze liepen rond om eten te zoeken, maar niemand van hen dacht er aan den jongen wat te geven.

Toen kwam Haspel op den hoofdman toe met een tak van een doornstruik waar een paar rozebottels aan zaten.

"Dat is voor jou, Windsnel," zei hij. "Dat is lekker eten, dat goed voor je is."

Windsnel blies verachtelijk. "Meen je, dat ik dorre, oude rozebottels eten wil?" zei hij.

"Ik dacht, dat je er blij meê wezen zou," zei Haspel mismoedig, en gooide den tak met rozebottels weg. Maar die viel vlak voor den jongen neer, en hij pakte hem gauw, en at ervan, tot hij genoeg had.

Toen de kraaien gegeten hadden, begonnen zij te praten.

"Waar denk je aan, Windsnel? Je bent zoo stil vandaag," zei een van hen tot den aanvoerder.

"Ik denk er aan, hoe hier in deze streek eens een kip leefde, die zooveel van haar meesteres hield, en om haar eens echt plezier te doen, legde zij een massa eieren, die ze onder den vloer in de schuur verstopte. En al dien tijd, dat ze zat te broeien, dacht zij er aan, hoe blij de vrouw met die kuikentjes zou zijn. Haar meesteres was natuurlijk nieuwsgierig, waar zij al dien tijd bleef. Ze zocht haar, maar vond ze niet. Kun je raden, Langsnavel, wie haar en de eieren vond?

"Ik geloof wel, dat ik het raden kan, Windsnel, maar nu je daarover spreekt, zal ik iets dergelijks vertellen. Herinner je je die groote zwarte kat wel, uit de pastorie van Hinneryd? Zij was ontevreden met haar volk, omdat die haar al haar pasgeboren jongen afnamen en die verdronken. Maar ééns gelukte het haar ze te verbergen, en dat was, toen zij ze in een stroobos buiten op het veld had gebracht. Ze was zoo blij met de jongen, maar ik geloof, dat ik meer plezier van hen had dan zij."

Nu werden ze allemaal opgewonden, dat ze elkaar voortdurend in de rede vielen:

"Wat is daar nu aan, om eieren en jongen te stelen," zei de een.

"Ik heb eens op een jongen haas gejaagd, die bijna volwassen was. Ik moest hem van den eenen struik naar den anderen jagen..."

Verder kwam ze niet, want een ander nam het woord: "'t Kan nu wel prettig zijn om kippen en katten te plagen, maar ik vind het nog merkwaardiger, dat een kraai een mensch ergeren kan. Ik heb eens een zilveren lepel gestolen...."