Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/144

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

Maar nu achtte de jongen zich toch te goed om naar zulke praatjes te luisteren.

"Neen, hoor eens, jelui kraaien," zei hij, "ik vind, dat jelui je schamen moest, om over al jelui leelijke streken te praten. Ik heb drie weken lang onder de wilde ganzen geleefd, maar ik heb niets anders dan goeds gehoord en gezien. Jelui moet wel een slechten aanvoerder hebben, die je laat rooven en moorden op die manier. Jelui moesten een ander leven beginnen, want ik kan jelui dit wel zeggen, dat de menschen zóó genoeg van jelui boosheid hebben, dat ze met alle macht probeeren je uit te roeien. En dan zal het wel gauw met jelui gedaan zijn."

Toen Windsnel en de kraaien dat hoorden, werden ze zóó boos, dat ze van plan waren op den jongen aan te vliegen om hem te verscheuren. Maar Haspel kraste en schreeuwde, en ging voor hem staan.

"Neen, neen, neen!" riep hij, en zag er doodverschrikt uit. "Wat meen je wel, dat Windkara zeggen zal, als jelui Duimelot verscheurt, vóór hij ons het zilvergeld bezorgd heeft?"

"Wat ben jij bang voor vrouwvolk, Haspel!" zei Windsnel, maar hij liet hem toch met rust, en ook de anderen deden Duimelot niets.

Kort daarop trokken de kraaien verder. Tot nu toe had de jongen gedacht, dat Smaland niet zoo'n arm land was, als hij wel gedacht had. Wel was het met bosch begroeid en vol bergtoppen maar langs de beken en meren lagen bebouwde velden, en werkelijk woesten grond had hij niet gezien. Maar hoe verder zij het land in kwamen, hoe zeldzamer de steden en hutjes werden. Eindelijk vond hij, dat hij over een echte woestenij heen vloog, waar hij niet anders zag dan moerassen, heiden en heuvels, met jeneverbessen begroeid.

De zon was ondergegaan, maar het was nog helder dag, toen de kraaien de groote heide bereikten. Windsnel zond een kraai vooruit, om te vertellen, dat het hem goed gegaan was, en toen dat bekend werd, vloog Windkara met honderd kraaien op van het kraaienveld, om de aankomenden te gemoet te gaan. Onder het oorverdoovend gekras dat de kraaien aanhieven, toen ze elkaar ontmoetten, zei Haspel tegen den jongen: "Je ben zoo vroolijk en grappig geweest op reis, dat ik veel van je ben gaan houden. Daarom wil ik je een goeden raad geven. Zoodra we beneden komen, zullen ze je vragen een werkje te doen, dat je heel gemakkelijk zal voorkomen. Maar pas op, dat je het niet doet!"

Onmiddellijk daarna zette Haspel Niels Holgersson neer in een zandkuil. De jongen liet zich op den grond vallen, en bleef liggen, alsof hij doodaf van vermoeidheid was. Er vlogen zóóveel kraaien om hem heen, dat de lucht bruiste als door een storm, maar hij keek niet op.