Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/145

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

"Duimelot," zei Windsnel, "sta nu op! Je moet ons helpen met iets, wat je heel gemakkelijk doen kunt."

Maar de jongen bewoog zich niet. Hij deed, alsof hij sliep. Toen nam Windsnel hem bij den arm, en sleepte hem voort over het zand, tot bij een aarden pot van een ouderwetsch model, die midden in den kuil stond.

"Sta op, Duimelot," zei hij, "en doe dien pot open."

"Waarom laat je me toch niet slapen?" zei de jongen. "Ik ben te moe om van avond nog iets te doen. Wacht tot morgen."

"Doe dien pot open!" zei Windsnel, en schudde hem heen en weer. De jongen ging toen recht overeind zitten, en bekeek den pot nauwkeurig: "Hoe kan ik, arm kind! zoo'n pot openkrijgen. Die is immers even groot als ikzelf."

"Doe hem open!" beval Windsnel nog eens, "anders zal 't je niet best gaan!"

De jongen stond op, ging wankelend naar den aarden pot, voelde aan het deksel, en liet de armen weer zinken.

"Ik ben toch anders zoo zwak niet," zei hij. "Als jelui me maar tot morgen wilt laten slapen, denk ik wel, dat ik het met dat deksel klaar zal spelen."

Maar Windsnel was ongeduldig; hij vloog vooruit, en pikte den jongen in het been. Maar zóó wou de jongen zich niet door een kraai laten behandelen. Hij rukte zich snel los, sprong een paar pas achteruit, trok zijn mes uit den gordel, en hield dat voor zich uit. "Pas op, jij!" riep hij Windsnel toe.

Maar die was zoo verbitterd, dat hij het gevaar niet telde. Alsof hij blind was, stoof hij op den jongen af, en kwam recht op het mes toe, zoodat het door zijn oog in zijn hersens drong. De jongen trok wel het mes terug, maar Windsnel sloeg nog even met de vleugels en zonk toen dood neer.

"Windsnel is dood! De vreemdeling heeft Windsnel, onzen hoofdman, vermoord!" riepen de kraaien, die het dichtste bij stonden, en daarop ontstond een vervaarlijk rumoer.

Sommigen jammerden, anderen riepen om wraak; allen sprongen of fladderden op Duimelot af, met Haspel aan 't hoofd. Maar die gedroeg zich, als naar gewoonte, averechts verkeerd. Hij fladderde maar met uitgespreide vleugels boven den jongen, en verhinderde de anderen hem met hun snavel te doorboren.

Nu vond de jongen toch, dat hij 't erg voor zich had bedorven. Hij kon van de kraaien niet weg komen, en er was geen plaats, waar hij zich zou verbergen. Maar toen dacht hij op eens aan den pot.

Hij rukte hard aan het deksel, en kreeg dat er af. Toen sprong hij in den pot om zich daarin te verbergen. Maar dat was een slechte schuilhoek; want die was bijna tot den rand gevuld met zilveren penningen. De jongen kon er niet diep genoeg inkomen.