Daarom boog hij zich neer en begon de geldstukken er uit te gooien.
Tot nu toe hadden de kraaien in een dichten zwerm om hem heen gevlogen, en naar hem gepikt. Maar toen hij de geldstukken uit den pot gooide, vergaten ze opeens hun wraakzucht, en begonnen 't zilver op te rapen. De jongen gooide het geld met handenvol weg, en alle kraaien, zelfs Windkara, vingen het op. En elk, die een muntje te pakken kreeg, vloog naar zijn nest om dat op te bergen.
Toen de jongen al het geld uit den pot had gegooid, keek hij op. Nog maar één kraai was er over in den zandkuil. Dat was Haspel met de witte veer in den vleugel, die hem op den rug had gedragen.
"Jij hebt mij een grooter dienst bewezen, dan jezelf kunt begrijpen, Duimelot," zei de kraai op een heel anderen toon dan vroeger, "en ik wil je leven redden. Ga op mijn rug zitten, dan zal ik je naar een schuilplaats brengen, waar je van nacht veilig zult zijn. Morgen zal ik er voor zorgen, dat je bij de wilde ganzen terugkomt."
HET HUTJE
Den volgenden morgen, toen de jongen wakker werd, lag hij in een bed. Toen hij zag, dat hij in een huis was, met vier muren om hem heen en een zolder boven zijn hoofd, meende hij, dat hij thuis was.
"Zou Moeder niet gauw komen met de koffie?" mompelde hij, nog half dommelend. Maar toen herinnerde hij zich, dat hij in een verlaten hutje op het kraaienveld lag, en dat Haspel met de witte veer hem daar den vorigen avond had heengebracht.
De jongen had pijn in al zijn ledematen na den tocht van den vorigen dag, en hij vond het heerlijk stil te blijven liggen, terwijl hij op Haspel wachtte, die beloofd had hem te komen halen.
Er hingen gordijntjes van geruit katoen om het bed, en hij schoof ze op zij om de kamer in te kijken.
Hij merkte al gauw, dat hij nooit een gebouwtje als dit had gezien. De wanden bestonden enkel uit een rij boomstammen; daarboven begon het dak, dat van binnen niet beschoten was: men zag dadelijk de nok van het dak. De heele kamer was zoo klein, dat ze eerder voor zulke kleintjes als hij, dan wel voor echte menschen scheen gebouwd, maar toch waren de haard en de muur voor den haard zóó ruim genomen, dat hij zich niet herinnerde die ooit zoo groot te hebben gezien. De deur was in