Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/147

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

den gevelmuur naast den haard gemaakt, en was zoo klein, dat ze wel een luikje leek. In den anderen gevelmuur zag hij een laag en breed venster met veel kleine ruitjes. In de kamer waren bijna geen losse meubels. De bank langs den eenen muur en de tafel onder het venster waren aan den wand vastgebouwd, en ook het groote bed, waarin hij lag, en de bonte kast aan den muur.

De jongen kon niet laten zich verwonderd af te vragen, van wien dit hutje wel wezen zou, en waarom het leeg stond. 't Zag er wel uit, alsof de menschen, die daar hadden gewoond, van plan geweest waren weer terug te komen. De koffiekan en de breipan stonden nog op den haard, en er lag wat brandhout in een hoek. De pook en de kolenschop stonden ook in den hoek; het spinnewiel was op een bank gezet, op de plank boven het venster lagen werk en vlas, een paar strengen garen, een vetkaars en een bos zwavelstokken.

Ja, 't zag er hier zeker uit, alsof zij, die de kamer bewoond hadden, van plan waren geweest terug te komen. Er lagen dekens en lakens in 't bed, en aan den wand zaten nog repen doek, waarop drie mannen te paard: Kasper, Melchior en Balthasaar waren geschilderd. Dezelfde paarden en ruiters waren er dikwijls afgebeeld. Zij reden om de heele kamer heen, en zetten hun tocht zelfs langs de dakbalken voort.

Maar aan het dak zag de jongen iets, wat hem in eens op de been bracht. Dat waren een paar oude sneetjes brood, die daar aan een spil hingen. Ze zagen er wel oud en duf uit, maar 't was toch brood. Hij gaf ze een slag met de kolenschop, zoodat er een stuk op den grond viel. Hij at ervan, en stopte zijn zakken vol. 't Was ongelooflijk hoe lekker dat brood toch altijd smaakte.

Hij keek nog eens rond in de kamer om te zien of er niet nog wat bij was, dat hij gebruiken en meênemen kon.

"Ik mag zeker wel nemen, wat ik noodig heb, als niemand anders erom geeft," dacht hij. Maar het meeste van al, wat hij daar zag, was te groot en te zwaar. Het eenige, wat hij meê kon nemen, zou hoogstens een paar stukjes lucifer kunnen zijn.

Hij klauterde op de tafel, en sprong later, met behulp van de gordijnen, met een zwaai in de vensterbank. Terwijl hij daar stond en de lucifers in zijn zak stopte, kwam de kraai met de witte veer door het venster binnen.

"Ziezoo, hier ben ik nu," zei Haspel, en streek op de tafel neer.

"ik kon niet eerder komen, omdat wij kraaien een nieuwen aanvoerder hebben gekozen, als opvolger van Windsnel."

"Wien hebben jelui gekozen?" vroeg de jongen.

"Wij hebben Garm Witteveer gekozen, die vroeger Haspel heette," antwoordde hij, en rekte zich uit, zoodat hij er heel majestueus uitzag.