"Dat was een goede keus," zei de jongen, en feliciteerde hem.
"Ja, je mag me wel feliciteren," zei Garm, en begon den jongen te vertellen, hoe akelig hij het vroeger met Windsnel en Kara had gehad.
Midden onder dit verhaal hoorde de jongen buiten een stem die hij meende te herkennen.
"Is hij hier?" vroeg Smirre, de vos.
"Ja, hier is hij verstopt," antwoordde een kraaienstem.
"Pas op, Duimelot!" riep Garm. "Windkara staat buiten met dien vos, die je wil opeten!"
Meer kon hij niet zeggen, want Smirre deed een sprong naar het venster. Het oude, vermolmde vensterkozijn gaf meê, en Smirre stond een oogenblik later op de vensterbank. Garm Witteveer, die geen tijd had om weg te vliegen, beet hij meteen dood. Toen sprong hij op den vloer, en keek rond naar den jongen.
Die propeerde zich achter den grooten hoop werk te verstoppen, maar Smirre had hem al gezien, en kroop in elkaar om een sprong te doen. En het hutje was zoo klein, dat de vos hem zonder eenige moeite zou kunnen pakken. Maar op dit oogenblik was hij niet ongewapend. Haastig streek hij een lucifer aan, stak die in het werk en toen dat in brand vloog, gooide hij het op den vos. En toen 't vuur hem raakte, werd de vos door een waanzinnigen schrik aangegrepen. Hij dacht niet meer aan den jongen, maar vloog half zinneloos van angst de kamer uit.
Maar het scheen, dat de jongen aan 't eene gevaar ontsnapt was, door een nog grooter over zich te brengen. Van den prop werk, waarmeê hij Smirre had gegooid, had de vlam de bedgordijnen bereikt. Hij sprong op den grond, en trachtte het te dooven, maar het brandde al veel te fel. De heele hut was al gauw vol rook, en Smirre, die buiten het venster stond, begon te begrijpen, hoe het daar binnen gesteld was.
"Nu, Duimelot," riep hij, "wat kies je nu? Gebraden te worden, of bij mij te komen? Ik zou je wel het allerliefst opeten, maar hoe de dood je ook te pakken krijgt, is 't mij goed!"
De jongen dacht niet anders, of de vos had gelijk, want de brand nam met vliegende vaart toe. 't Heele bed brandde al, uit den vloer kwam de rook op, en op de geschilderde houten latten kroop de vlam van den eenen ruiter naar den anderen. De jongen was op den haard gesprongen, en probeerde de deur van den oven open te krijgen, toen hij op eens een sleutel in het slot hoorde steken en zachtjes omdraaien. Dat moesten menschen zijn, die aankwamen, en in den nood, waarin hij nu verkeerde, werd hij niet bang, maar alleen blij. Hij stond al op den drempel, toen de deur eindelijk open ging. Hij zag een paar kinderen vóór zich, maar wat ze voor gezichten zetten, toen zij het hutje in