brand vonden, hij had geen tijd, om er naar te kijken; hij vloog ze voorbij, naar buiten!
Hij durfde niet ver weg te loopen. Hij wist wel, dat Smirre, de vos, op hem loerde, en hij begreep, dat hij in de buurt van de kinderen moest blijven. Hij keek om, om te zien wat het voor kinderen waren, maar hij had ze nog geen seconde aangezien, voor hij ze tegemoet vloog, en riep: "Kijk eens hier! Dag Asa, dag Mads!"
Want toen de jongen die kinderen zag, vergat hij heelemaal, waar hij was. De kraaien, de brandende hut, de sprekende dieren verdwenen uit zijn herinnering. Hij liep op een stoppelveld in 't westen van Vemmenhög, en hoedde de ganzen en op het veld naast hem liepen die kinders uit Smaland met hùn ganzen. En zoodra hij ze zag, sprong hij op het steenen walletje, en riep:
"Dag Assa, dag Mads!"
Maar toen de kinderen zoo'n klein dwergje op zich af zagen komen met uitgestrekte hand, hielden ze elkaar vast, deden een paar stappen achteruit, en zagen er doodverschrikt uit.
Toen de jongen hun schrik zag, kwam hij tot zichzelf, en herinnerde zich, wie hij was. En toen vond hij, dat hem niets ergers kon overkomen, dan dat juist die kinderen zouden zien, dat hij betooverd was. Schaamte en verdriet, omdat hij geen mensch meer was, overweldigden hem. Hij keerde zich om, en liep weg — hij wist zelf niet waarheen.
Maar een blijde ontmoeting wachtte den jongen, toen hij op de heide kwam. Want daar in het heikruid, kwam hem de witte ganzerik met Donsje tegemoet. Toen de witte den jongen zóó hard zag loopen, meende hij, dat gevaarlijke vijanden hem vervolgden. Hij gooide hem haastig op zijn rug, en vloog met hem weg.