XV.
DE OUDE BOERIN.
Drie vermoeide reizigers zochten een nachtverblijf op den laten avond. Zij liepen wel door een armoedig woest gedeelte van Noord-Smaland, maar een rustplaats, zooals zij die verlangden, moesten zij toch kunnen vinden, want ze waren geen verwijfde wezens, die zachte bedden en mooi gemeubileerde kamers verlangden.
"Als een van de langen bergruggen hier een top hadden, zóó sterk en hoog, dat een vos er op geen enkele manier kon opklauteren, hadden we een goede slaapplaats," zei de een.
"Als maar een van de groote moerassen hier niet bevroren was, en zoo zacht en nat, dat een vos er niet over durfde, dan zou dat ook een best nachtverblijf zijn," zei de andere.
"Als het ijs op een van de meren, waar we voorbij komen, maar los van 't land was, zoodat een vos daar niet kon komen, dan hadden we juist gevonden, wat wij zoeken," zei de derde.
't Ergste was, dat toen de zon was ondergegaan, twee van de reizigers zóó slaperig werden, dat ze elk oogenblik op het punt waren op den grond te vallen. De derde, die wakker kon blijven, werd onrustiger, al naarmate de nacht naderde.
"'t Is toch ongelukkig," dacht hij, "dat wij in een land zijn gekomen, waar de moerassen en meren bevroren zijn, zoodat de vos overal heen kan komen. Het ijs is immers op andere plaatsen al weggedooid, maar nu zijn we zeker in het allerkoudste gedeelte van Smaland, waar de lente nog niet gekomen is. Ik begrijp niet, wat ik beginnen moet om een goede slaapplaats te vinden. Als ik geen goed beschutte plaats vind, hebben we Smirre, den vos, op onze hielen, eer de morgen komt."
Hij keek uit naar alle kanten, maar hij zag geen herberg, waar hij kon binnengaan. En 't was een donkere, koude avond met wind en stofregen. 't Werd steeds akeliger en griezeliger om hem heen.