't Kan wel vreemd lijken, dat de reizigers er geen lust in schenen te hebben, op de een of andere hoeve om nachtverblijf te vragen. Ze waren al verscheiden dorpen doorgetrokken, zonder ergens aan te kloppen. Naar kleine hutjes aan den zoom van het woud, die alle arme reizigers zoo graag aantreffen, keken zij ook niet om. Men zou in de verzoeking komen te zeggen, dat ze verdienden het akelig te hebben, omdat ze de hulp die hun ten dienste stond, niet wilden aannemen.
Maar later, toen het zóó donker was geworden, dat er nauwelijks een streepje daglicht onder den hemel achterbleef, en de twee die aan slaap behoefte hadden, half in den slaap voortliepen, kwamen ze bij een boerderij, die eenzaam lag, ver van al haar buren. En niet alleen, dat ze er eenzaam uitzag, ze scheen in 't geheel niet bewoond te zijn. Geen rook steeg uit den schoosteen op, geen licht scheen uit de vensters, geen mensch bewoog zich op de plaats. Toen een van de drie, hij, die beloofd had wakker te blijven, die boerderij zag, dacht hij: "'t Mag gaan zooals het wil, maar in deze hoeve moeten we zien binnen te komen. Iets beters zullen we zeker niet vinden."
Kort daarop stonden ze alle drie op de binnenplaats van de hoeve. Twee van hen sliepen dadelijk in, zoodra ze moesten blijven staan, maar de derde zag haastig rond, om te ontdekken hoe hij onder dak komen kon. 't Was geen kleine hoeve. Behalve 't woonhuis, den stal en de schuur waren er lange bijgebouwen, met schuren en dorschvloeren, voorraadshuizen en bergplaatsen voor de werktuigen.
Maar alles zag er akelig arm en vervallen uit. De huizen hadden grauwe, met mos begroeide, scheeve muren, die op het punt schenen van om te vallen. In het dak waren groote gaten, en de deuren hingen schuin aan kapotte scharnieren. 't Was duidelijk, dat al lang niemand de moeite had genomen een spijker in den wand te slaan op deze boerderij.
Intusschen had hij, die wakker was, uitgerekend welk gebouw de koestal was. Hij schudde zijn reisgezellen wakker, en bracht ze bij de schuurdeur. Die was gelukkig alleen gesloten met een haak, dien hij gemakkelijk kon oplichten met een stokje. Hij zuchtte van verlichting bij de gedachte, dat ze gauw in veiligheid zouden zijn. Maar toen de schuurdeur luid knarsen openging, hoorde hij, dat een koe begon te loeien.
"Kom je daar eindelijk. Vrouw," zei de koe. "Ik dacht, dat ik van avond niets te eten zou krijgen."
De reiziger bleef heel verschrikt in de deur staan, toen hij merkte dat de schuur niet leeg was. Maar hij zag al gauw, dat er niets meer dan één koe stond, en drie of vier kippen, en toen vatte hij weer moed.