Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/152

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

"Wij zijn drie arme reizigers, die graag ergens wilden wezen, waar geen vos ons kan overvallen, en geen menschen ons kunne vangen," zei hij. "We zouden graag weten of er hier een geschikte plaats voor ons was."

"Dat zou ik wel denken," antwoordde de koe. "Wel zijn de muren slecht, maar een vos kan er nog niet door, en hier woont niemand dan een oude vrouw, die zeker niet in staat is iemand gevangen te nemen. Maar wie ben jelui eigenlijk?" ging ze voort, terwijl ze zich in haar stal omkeerde, om de nieuwaangekomenen te zien.

"Ik ben Niels Holgersson van Wester Vemmenhög, die in een kabouter is veranderd," antwoordde de eerste van hen, die binnenkwamen, "en ik heb een tamme gans bij me, waar ik op rijd, en een grijze gans."

"Zulke rare gasten zijn nog nooit in mijn huis geweest," zei de koe, "en jelui bent welkom. Maar ik wou toch liever, dat de vrouw gekomen was, om mij mijn avondvoer te brengen."

De jongen bracht nu de ganzen in de schuur, die heel groot was, en zette ze in een leeg hok, waar ze oogenblikkelijk insliepen. Voor zichzelf maakte hij een bedje van stroo, en verwachtte, dat hij ook gauw in slaap zou vallen. Maar hier kwam niets van, want de arme koe, die nog geen avondvoer had gehad, hield zich geen oogenblik stil. Ze trok aan haar halster, schoof heen en weer in haar stal, en klaagde over den honger. De jongen kon geen oog dicht doen, maar lag wakker, en liet alles aan zich voorbijgaan, wat hem de laatste dagen was overkomen.

Hij dacht aan Asa, 't kleine ganzenhoedstertje, en kleine Mads, die hij zoo onverwacht had ontmoet, en hij dacht er over, dat het hutje, dat hij in brand gestoken had, hun oud huis in Smaland moest zijn. Hij herinnerde zich immers wel, dat ze juist over zoo'n hutje hadden gesproken, en over de groote hei, die er omheen lag. Nu waren zij gekomen om hun huisje weer te zien, en toen ze erbij kwamen, sloegen de vlammen eruit. Dat was wel een groot verdriet, dat hij hun gedaan had, en dat speet hem heel erg. Als hij ooit weer een mensch werd, zou hij de schade en de teleurstelling kunnen vergoeden.

Toen dacht hij weer aan de kraaien, en als hij aan Haspel dacht, die hem had gered, en den dood had gevonden, zoo kort nadat hij als aanvoerder was gekozen, werd hij zóó bedroefd, dat hij de tranen in de oogen kreeg.

Hij had het wel heel moeilijk gehad de laatste dagen. Maar toch was 't een groot geluk geweest, dat de ganzerik en Donsje hem gevonden hadden.

De ganzerik had hem verteld, dat de wilde ganzen, zoodra ze gemerkt hadden, dat Duimelot verdwenen was, bij de kleine