dieren in 't bosch naar hem hadden gevraagd. Ze hadden al gauw gehoord, dat een troep kraaien uit Smaland hem hadden meêgenomen. Om den jongen zoo gauw mogelijk te vinden, had Akka bevolen, dat de ganzen twee aan twee verschillende kanten uit zouden vliegen om hem te zoeken. Maar nadat ze drie dagen hadden gezocht, moesten zij — of ze hem hadden gevonden of niet, — bij elkaar komen in Noord-west Smaland op een hoogen bergtop, die op een afgehouwen toren leek, en Taberg heette. En toen Akka hun de beste aanwijzing had gegeven om den weg te vinden, en nauwkeurig beschreven, hoe zij Taberg zouden herkennen, gingen zij uiteen.
De witte ganzerik had Donsje uitgekozen als reisgezel, en ze hadden hier en daar rondgevlogen in de grootste onrust over Duimelot. Onder dat rondzwerven hadden ze een lijster gehoord, die, in een boomtop gezeten, riep en bromde over iemand, die zich "kraaienroof" had genoemd en hem voor den gek gehouden. Ze hadden met de lijster een gesprek aangeknoopt, en hij had hun gezegd, welken kant die kraaienroof was uitgegaan. Later hadden ze een doffer, een spreeuw en een eend ontmoet, alle klagend over een booswicht, die hen in hun gezang had gestoord, en "door de kraai gestolen," "kraaienvangst" en "kraaienroof" geheeten had. Op die manier hadden zij Duimelot's spoor gevonden, tot bij de heide van Sunnerbo.
Zoodra, de ganzerik en Donsje Duimelot hadden gevonden, vlogen zij naar het noorden om naar Taberg te komen. Maar ze waren daar ver vandaan, en het donker was hen overvallen, eer ze den bergtop in het gezicht kregen.
"Als wij er morgen maar komen, zijn al onze zorgen voorbij," dacht de jongen, en kroop diep onder het stroo om wat warmer te worden.
De koe had al dien tijd leven gemaakt in den stal. Nu begon zij op eens tegen den jongen te praten.
"Ik meende, dat een van hen, die hier binnenkwamen, vertelde, dat hij een kabouter was. Als dat zoo is, dan weet hij zeker wel, hoe hij een koe moet behandelen."
"Wat scheelt je dan?" vroeg de jongen.
"Mij scheelt van alles," zei de koe. "Ik ben niet gemolken en niet verzorgd. Ik heb geen nachtvoer in mijn krib gekregen en geen versch stroo onder me. De vrouw kwam hier om me te helpen, zooals gewoonlijk, maar ze was zoo ziek, dat ze dadelijk weer naar binnen moest gaan, en ze is niet meer terug gekomen."
"'t Is toch akelig, dat ik zoo klein en zwak ben," zei de jongen.
"Ik geloof niet, dat ik je helpen kan."
"Je moet me niet wijsmaken, dat je zwak ben, omdat je klein ben," zei de koe. "Alle kabouters, waar ik van heb hooren spreken,