Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/154

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

waren zoo sterk, dat ze een voer hooi konden trekken en een koe met één vuistslag doodslaan."

De jongen kon niet laten te lachen. "Dat waren zeker andere kabouters dan ik," zei hij. "Maar ik zal je halster losmaken en de deur voor je opendoen, dan kun je naar buiten gaan en uit een van de plassen op de hoeve drinken, en dan zal ik probeeren op den hooizolder te klimmen en hooi in je krib te gooien."

"Ja, dat zou altijd wel wat helpen," zei de koe.

De jongen deed, zooals hij gezegd had, en toen de koe met een gevulde krib voor zich stond, meende hij eindelijk te kunnen slapen. Maar pas was hij in zijn bed gekropen, of de koe begon weer te praten:

"Je zult me wel heel vervelend vinden, als ik je nu weer wat vraag," zei de koe.

"Neen, dat zal ik niet, als 't maar iets is, wat ik doen kan," zei de jongen.

"Dan zou ik je willen vragen in de kamer te gaan, en te zien, hoe het met de vrouw is. Ik ben zoo bang, dat haar een ongeluk overkomen is."

"Neen, dat kan ik niet doen," zei de jongen. "Ik durf me niet aan menschen te vertoonen."

"Je kunt toch niet bang zijn voor een zieke, oude vrouw," zei de koe. "Maar je hoeft ook niet in de kamer te gaan. Ga maar buiten de deur staan, en kijk door een kier."

"Ja, als je niets anders van me verlangt, dan kan ik dat wel doen," zei de jongen.

Toen deed hij de schuurdeur open, en ging de plaats op. 't Was een vreeselijke nacht. Maan of sterren waren niet te zien, de wind huilde, en de regen stroomde neer. Maar het ergste was, dat zeven groote uilen op een rij op het dak van het woonhuis zaten. 't Was akelig ze te hooren, zooals ze daar zaten te klagen over 't weer. En nog erger was het te denken, dat als maar één van hen hem in 't oog kreeg, het met hem gedaan zou zijn.

"Die arme kleintjes," zei de jongen, toen hij op de plaats kwam. En dat mocht hij wel zeggen. Hij woei twee keer om, eer hij bij het woonhuis was, en eens gooide de wind hem in een plas, die zoo diep was, dat hij bijna verdronk. Maar hij kwam er toch.

Hij klauterde een paar treden van de stoep op, kroop over een drempel, en kwam in de gang. De kamerdeur was dicht, maar in den eenen hoek was een gat voor de kat om er uit en in te gaan. 't Was dus voor den jongen niet moeilijk te zien, hoe het in de kamer gesteld was. Nauwelijks had hij er even in gekeken, of hij trok verschrikt het hoofd weer terug. Een oude