vrouw met grijs haar lag daar binnen op den vloer uitgestrekt. Ze bewoog zich niet, en klaagde niet, en haar gezicht was zoo wonderlijk wit. Het was, alsof een onzichtbare maan er een bleek licht over liet vallen.
De jongen herinnerde zich, dat toen zijn grootvader stierf, zijn gezicht ook zoo wonderlijk wit geworden was. En hij begreep dat het oude mensch, dat daar op den vloer in de kamer lag, dood wezen moest. De dood was zeker zoo haastig over haar gekomen, dat zij niet eens meer naar bed had kunnen gaan.
Hij werd vreeselijk bang, toen hij er aan dacht, dat hij in den donkeren nacht alleen met een doode was. Hij sprong halsoverkop de stoep af, en holde naar de schuur terug. Toen hij de koe vertelde, wat hij in de kamer gezien had, hield zij met eten op.
"O zoo! is de vrouw dood?" zei ze. "Dan is het ook gauw met mij gedaan!"
"Er zal wel iemand voor je zorgen," zei de jongen troostend.
"Je weet niet," zei de koe, "dat ik al ééns zoo oud ben, als een koe gewoonlijk wordt, eer ze op de slachtbank wordt gelegd. Maar ik geef er ook niet meer om, of ik leef, nu zij me niet meer kan komen verzorgen."
Ze zei een poos lang niets meer, maar de jongen merkte wel, dat ze niet sliep en niet at. Het duurde niet lang, of ze begon weer te praten.
"Ligt ze op den grond?" vroeg ze.
"Ja, dat doet ze," zei de jongen.
"Ze had de gewoonte in de schuur te komen," ging de koe voort, "en over al haar zorgen te praten. Ik begreep, wat ze zei, al kon ik haar niet antwoorden. Deze laatste dagen sprak ze er telkens over, dat ze bang was, dat er niemand bij haar zou zijn, als ze stierf. Ze was er bang voor, dat niemand haar de oogen zou toedrukken; of de armen gekruist over de borst leggen, als ze dood was. Misschien wil jij dat wel gaan doen?"
De jongen aarzelde. Hij herinnerde zich, dat toen Grootvader gestorven was, Moeder hem zorgvuldig neer had gelegd. Hij wist, dat dit gebeuren moest. Maar aan den anderen kant voelde hij, dat hij in dezen griezeligen nacht niet naar de doode durfde gaan. Hij zei niet: "neen"; maar hij deed ook geen stap naar de schuurdeur.
Een oogenblik bleef de oude koe zwijgend staan, alsof ze op antwoord wachtte. Maar toen de jongen niets zei, herhaalde ze haar verzoek niet. Ze zweeg een poos, en toen begon ze over de vrouw te spreken.
Er was veel van haar te vertellen. Allereerst van al de kinderen, die ze had grootgebracht. Ze waren immers elken dag in de schuur geweest, en 's zomers gingen ze met het vee naar 't