Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/156

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

moeras en langs de met boomen begroeide velden, zoodat de oude koe ze allen kende. Ze waren allen flink geweest en vroolijk en vlijtig. Een koe wist wel, of haar hoeders flinke menschen waren.

En ook was er veel van de boerderij te vertellen. Die was niet altijd zoo armoedig geweest, als ze nu was. Die was heel uitgestrekt, maar het grootste deel bestond uit moerassen en steenachtige velden. Er was niet veel plaats voor akkers, maar er waren overal uitmuntende weiden. Er was een tijd geweest, dat de stallen vol koeien stonden, en de ossenstal, die nu leeg stond, vol ossen. En in 't huis en in de stallen woonden lust en vreugd. Als de vrouw de schuurdeur opendeed, had ze geneuried en gezongen, en alle koeien hadden van genoegen geloeid, als zij haar hoorden komen.

Maar de boer was gestorven, toen de kinderen zoo klein waren, dat ze nog niet konden werken, en de vrouw had de hoeve, en al 't werk en de zorg moeten overnemen. Ze was sterk als een man geweest, en ze had geploegd en geoogst. 's Avonds, als ze in den stal kwam om te melken, was ze nu en dan zóó moe, dat ze schreide. Maar als ze aan haar kinderen dacht, werd ze weer blij. Dan veegde zij de tranen uit de oogen, en zei: "Dat is niets. Ik zal 't ook wel goed krijgen, als mijn kinderen groot worden. Ja, als ze maar eerst groot zijn!"

Maar zoodra de kinderen groot waren, kwam er een wonderlijk verlangen over hen. Zij wilden niet thuis blijven, maar ze trokken weg naar vreemde landen. Hun moeder kreeg nooit hulp van hen. Een paar van de kinderen waren getrouwd, eer ze op reis gingen, en zij hadden hun kindertjes thuis achtergelaten. En die kleintjes liepen nu met de vrouw meê door de schuur, zooals hun eigen ouders gedaan hadden. Zij hoedden de koeien, en ze werden beste, flinke menschen. En 's avonds, als de vrouw zoo moe was, dat ze onder 't melken bijna insliep, werd ze weer welgemoed, als ze aan hen dacht. "Ik zal 't wel weer goed krijgen," zei ze en wreef zich den slaap uit de oogen, "als ze maar eerst groot zijn."

Maar toen die kinderen groot waren, vertrokken ze naar hun ouders in 't vreemde land. Geen van hen kwam terug, geen van hen bleef thuis. De oude vrouw bleef alleen op de hoeve achter. Zij vroeg hun ook nooit om bij haar te blijven.

"Vindt je, Rödlina, dat ik hun moet vragen bij mij te blijven, als ze de wereld in kunnen gaan en het goed hebben?" placht zij te zeggen, als zij in de schuur bij de oude koe stond. "Hier in Smaland kunnen ze niet anders dan armoe verwachten."

Maar toen haar laatste kleinkind vertrokken was, had de vrouw geen kracht meer. Ze werd op eens gebogen en grijs, en ze wankelde onder 't loopen, alsof ze zich bijna niet meer verroeren kon. En ze werkte niet meer. Ze wilde de hoeve niet meer