verzorgen, maar liet alles vervallen. Ze onderhield het huis niet meer, en ze verkocht de ossen en koeien. Het eenige, wat ze behield, was de oude koe, die nu met Duimelot stond te praten. Haar liet ze leven, omdat alle kinderen haar gekend hadden.
Zij had wel meisjes en jongens in haar dienst kunnen nemen, die haar met het werk hadden geholpen, maar ze kon geen vreemden om zich heen verdragen, nu haar eigen familieleden haar hadden verlaten. En misschien had ze maar 't liefste, dat de hoeve achteruit ging, nu geen van de kinderen die overnemen zou. Zij gaf er niet om, of zij arm werd, doordat ze haar eigendom niet verzorgde. Maar ze was bang, dat haar kinderen zouden te weten komen, hoe moeilijk zij het had.
"Als de kinderen 't maar niet hooren! Als de kinderen 't maar nooit hooren!" zuchtte ze, als ze door de schuur strompelde.
De kinderen schreven dikwijls, en vroegen of ze bij hen wilde komen, maar dat wilde ze niet. Zij wilde het land niet zien, dat ze haar had afgenomen. Ze haatte het.
"'t Is wel dom van me, dat ik niet van dat land kan houden, dat zoo goed voor hen was," zei ze. "Maar ik wil het niet zien."
Ze dacht nooit aan iets anders, dan aan de kinderen, en dat ze waren weggegaan. Als het zomer was, bracht ze de koe naar buiten, om haar op het groote moeras te laten grazen. Zelf zat zij den heelen dag aan den kant van 't moeras, met de handen in den schoot; en als ze naar huis ging, zei ze. "Zie je Rödlina, als hier groote, vette akkers waren in plaats van dit onvruchtbaar moeras, dan hadden ze niet hoeven weg te gaan."
Ze kon boos op dat moeras zijn, dat zich zoo ver uitbreidde, en geen nut deed. Ze kon zitten praten, alsof dat moeras er schuld aan had, dat haar kinderen van haar waren weggegaan.
Den laatsten avond was ze zwakker geweest, en had meer gebeefd dan ooit te voren. Ze had het melken niet eens kunnen volhouden. Ze had tegen den muur geleund gestaan, en verteld, dat er twee boeren bij haar waren geweest om het moeras te koopen. Zij wilden het indijken en dan bebouwen. Daar was ze bang en toch blij door geworden.
"Hoor je wel, Rödlina?" had ze gezegd, "hoor je, dat ze zeiden, dat er rogge op 't moeras groeien kan? Nu zal ik de kinderen schrijven, dat ze thuis moeten komen. Nu hoeven ze niet langer weg te blijven. Nu kunnen ze hun brood hier thuis verdienen."
Het was om dien brief te schrijven, dat ze naar huis was gegaan.
De jongen hoorde niet meer, wat de oude koe vertelde. Hij had de schuurdeur open gedaan, en was de plaats over geloopen naar de kamer met de doode, waar hij zoo pas zoo bang voor was geweest.