Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/158

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

Eerst stond hij een poos stil rond te kijken.

De kamer zag er niet zoo armoedig uit, als hij verwacht had. Die was rijkelijk voorzien van allerlei, wat men gewoonlijk vindt bij menschen, die familie in Amerika hebben. In een hoek stond een Amerikaansche schommelstoel, op de tafel voor het venster lag een bont pluche kleed, een mooie sprei lag over het bed, aan de wanden hingen de portretten van de kinderen en kleinkinderen, in mooie uitgesneden lijsten, op de commode stonden hooge vazen en een paar kandelaars met dikke, gedraaide kaarsen.

De jongen zocht een lucifersdoos, en stak de kaarsen aan, niet omdat hij beter wilde zien, maar omdat hij dit een manier vond om de doode eer te bewijzen.

Toen ging hij naar haar toe, drukte haar oogen toe, legde haar handen gekruist over de borst, en streek het dunne grijze haar uit haar gezicht. Het kwam niet meer in hem op om bang voor haar te wezen. Hij was er zoo innig bedroefd om, dat ze haar ouderdom in eenzaamheid en verlangen had moeten doorbrengen. Nu zou hij ten minste dien nacht bij haar lijk waken.

Hij zocht in het gezangboek, en las een paar psalmen halfluid voor. Maar middenin hield hij op, hij dacht aan Vader en Moeder.

Dat wist hij niet, dat ouders zóó naar hun kinderen kunnen verlangen! Dat had hij nooit geweten. Stel je voor, dat het leven voor hen voorbij is, als de kinderen weg zijn. Stel je voor, dat ze thuis op dezelfde manier naar hem verlangden, als deze oude vrouw naar haar kinderen!

Hij werd blij bij die gedachte, maar hij durfde het niet gelooven. Hij was niet zoo geweest, dat iemand naar hem kon verlangen, maar wat hij niet geweest was, kon hij misschien worden.

Om zich heen zag hij de portretten van hen, die waren heengegaan. 't Waren groote, sterke mannen en vrouwen met ernstige gezichten. 't Waren bruiden in lange sluiers, en heeren in fijne kleeren, en kinderen met krulhaar en mooie witte kleertjes aan. En hij vond, dat ze allen als blinden voor zich uit keken, en niet wilden zien.

"Arme menschen!" zei de jongen tegen de portretten. "Jelui moeder is dood. Je kunt het niet meer goed maken, dat je van haar wegging. Maar mijn moeder leeft."

Hier hield hij even op, en glimlachte.

"Mijn moeder leeft," zei hij. "Vader en Moeder leven allebei!"