Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/161

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

meer, en altijd door maakten ze hetzelfde spektakel. Hier op de smalle strook land tusschen het Munkmeer en het Wettermeer lag Jönköping met zijn groote fabrieken. De wilde ganzen vlogen eerst over de papierfabriek van 't Munkmeer. 't Was juist na den middagschafttijd, en de groote scharen arbeiders stroomden naar de fabriekspoort. Toen zij de wilde ganzen hoorden, bleven ze een oogenblik staan om te luisteren.

"Waar ga jelui heen? waar ga jelui heen?" riep een arbeider.

De wilde ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen antwoordde voor hen:

"Daarheen, waar noch machines, noch stoomketels zijn!"

Toen de arbeiders dat antwoord hoorden, meenden zij, dat het hun eigen verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.

"Neem ons mee! Neem ons mee!" riepen ze.

"Van 't jaar niet, van 't jaar niet!" riep de jongen.

Daarna vlogen de ganzen over de wijdberoemde lucifersfabriek die aan den oever van het Wettermeer ligt, groot als een vesting, en haar hooge schoorsteenen naar den hemel opsteekt. Geen mensch bewoog zich op de binnenplaatsen, maar in de groote zaal zaten jonge arbeidsters de lucifersdoosjes te vullen. Zij hadden een venster open, omdat het zulk mooi weer was, en daardoor hoorden zij het gekakel van de wilde ganzen. Zij, die het dichts bij 't venster zat, keek eruit met een lucifersdoosje in de hand, en riep:

"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?"

"Naar dat land, waar geen kaarsen of lucifers noodig zijn," riep de jongen.

't Meisje meende wel, dat wat ze gehoord had, enkel ganzengekakel was, maar ze antwoordde: "Neem me meê! Neem me meê!"

"Van 't jaar niet! Van 't jaar niet!" antwoordde de jongen.

Ten oosten van de fabrieken verheft Jönköping zich op de heerlijkste plek, waar een stad maar kan liggen. Het smalle Wettermeer heeft hooge, steile zandige oevers ten oosten en ten westen, maar vlak in 't zuiden zijn de zandmuren uitgebroken, als om plaats te maken voor een groote poort, waardoor men aan 't meer komt. En midden in die poort, met bergen links en rechts, met het Munkmeer achter en 't Wettermeer voor zich, ligt Jönköping.

De ganzen vlogen over de lange smalle stad, en maakten 't zelfde spektakel daar als buiten op 't land. Maar in de stad antwoordde hun niemand. 't Was niet te verwachten, dat de stadbewoners naar buiten zouden komen om de wilde ganzen na te roepen.

De tocht ging verder langs 't Wettermeer en na een poosje kwamen de ganzen bij 't Sanatorium van Sanna. Eenige van de