Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/163

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

XVII.

EEN GESCHIEDENIS UIT HALLAND.



Tegen zonsondergang werden de ganzen moe en stil. Geen schertsend roepen werd meer gehoord. En de jongen zat, in herinneringen verdiept, op den rug van den ganzerik. Hij dacht aan een avond in Zuid-Halland.

De wilde ganzen waren neergedaald op akkers, die daar even uitgestrekt en goed bewerkt waren als in Skaane, en toen hoorde hij hoe een Hallander aan een man uit Skaane de volgende geschiedenis vertelde, waaruit hij zou kunnen zien met hoeveel moeilijkheden de Hallanders te strijden hadden, eer zij hun land tot een welgesteld land hadden kunnen maken.

Voor ongeveer honderd jaar lag in Zuid-Halland een oud landgoed, op een eenzame plaats, dicht bij de kust. Dat was met kleine, lage en ouderwetsche huizen bebouwd, met donkergrauwe rieten daken, en de groote kamer was zoo stokoud, dat ze dakvensters had.

Het landgoed heette Brendane. Er hoorden groote landerijen onder, maar alleen de naaste omgeving van de huizen kon bebouwd worden. Het andere gedeelte bestond uit onvruchtbaar stuifzand. Ouden van dagen wisten te vertellen, dat om dat eenzame landgoed vroeger een heele stad moest hebben gelegen. Dat was in den tijd geweest, toen er nog veel bosschen in Halland waren, toen er zich geweldig groote wouden van eiken en beuken van de kust af tot heel aan de grens van Smaland uitstrekten. In die dagen had de stad met haar landerijen op een opengehakte plaats in 't bosch gelegen, en de boomen hadden eromheen gestaan en haar beschut. Maar toen was het bosch omgehakt, en niet alleen dat, wat het dichtste bij stond, maar de bosschen in de heele streek, ja in heel Halland, werden vernield.

Men zei, dat de boeren in Brendane er eerst blij om waren, dat ze van dat bosch af waren. Nu konden zij hun akkers steeds