verder uitbreiden en hun vee laten weidden op open velden, waar het gemakkelijk kon worden gehoed. Dezen en genen klaagden er wel over, dat het nooit meer stil weer was, nu de boomen niet langer den wind tegenhielden, en anderen jammerden er over, dat ze heel naar Smaland om brandhout moesten. Maar toch was er niemand, die in ernst ontevreden was. Niemand dacht, dat het gevaarlijk kon zijn, dat het bosch weg was.
Maar de stad Brendane lag, zooals hierboven gezegd is, vlak bij de zee, en de groote akkers strekten zich tot heel bij het water uit. En nu wordt er verteld, dat eenige jaren, nadat het bosch was omgehakt, de storm op een herfstdag een paar verdorde grasbosjes losrukte, beneden aan het strand. Onder 't gras lag fijn, licht zeezand. Dat bestond bijna uit niets ander dan mosselschelpen en slakkenhuisjes, die tot 't allerfijnste stof waren gemalen in den grooten molen van de zee. En ze werden door den wind opgenomen en begonnen rond te stuiven. Van dat oogenblik was het, alsof de wind het strand niet meer met rust kon laten. De grasbosjes droogden uit, nu het bosch de vocht niet meer vasthield, en ze werden, het eene na het andere door den wind weggerukt. Op die manier kwam er steeds meer zand voor den dag, dat meêging met den storm, het stoof op in de lucht, danste een poos rond, en viel neer in de harde, witte, wolken, ongeveer als fijne sneeuw.
't Was maar een dun laagje zand, en het scheen aan de vruchtbaarheid niet erg te hinderen. Maar die heele zomer werd buitengewoon droog en windering. 't Koren kon niet groeien; 't verdorde en verschrompelde. De aarde lag onder de planten, droog als zwam, en iederen dag dreef de wind heele wolken omhoog, en voerde ze weg. Maar onder die dunne aardlaag lag weer dat lichte zeezand, fijn als meel, klaar om met den wind rond te dansen. En toen de zomer voorbij was, had de storm heele groote velden om meê te spelen. In de stad Brendane zaten de boeren en zagen, hoe hij de zandmassa's oplichtte, ze naar den hemel deed stuiven, ze rondwervelde en neergooide in hoopen en bergjes, die hij dan anderen dag weer verplaatste en vervormde.
Elk jaar verzandde de wind meer velden, en de boeren kregen telkens minder grond te bebouwen. Ze streden wel met het zand; ze zetten schuttingen, en maakten dijken, maar niets scheen te helpen. Als ze ploegden en egden, was het alsof ze den wind hielpen het zand op te zweepen, en als zij den grond met rust lieten, verzandde die zóó, dat er geen grassprietje groeien kon.