En 't was niet genoeg, dat het stuifzand de akkers bedierf; er kwam geen eind aan den last, dien het gaf. 't Lag in hoopen op den drempel in den morgen, als men de huisdeur open deed; 't striemde de menschen in 't gezicht, als ze uitgingen, 't stoof door den schoorsteen en viel in het eten, en 't lag in zulke dikke lagen op wegen en paden, dat het rijden en loopen vreeselijk vermoeiend werd.
Spoedig konden de stadsbewoners het niet meer uithouden. Na een paar jaar braken een paar van hen hun huizen af, en bouwden ze verder op het land weer op. Ieder voorjaar verhuisden er zoo eenigen, en eindelijk bleef er maar één hoeve over van de heele stad. Nu verwachtte men natuurlijk, dat ook die hoeve niet lang midden in de velden met stuifzand zou blijven staan. Maar dat deed ze toch. De boer, die de hoeve bezat, was een van die menschen, die zich niet laten wegjagen. 't Was niet, omdat hij de streek zoo liefhad, dat hij nergens anders zou kunnen aarden, dat hij niet van woonplaats wilde veranderen. Maar hij kon niet verdragen, dat hij gedwongen zou worden te verhuizen; hij wilde liever blijven waar hij was, en het zand bestrijden.
Later ging het zoo, dat zijn zoon en allen, die na hem in het bezit van den tuin kwamen, denzelfden aard hadden. Ze wilden er niet van hooren, dat het zand hen zou dwingen de hoeve te verplaatsen, zoolang zij nog een spa konden opheffen om het weg te graven. En 't was geen lichte strijd, dien zij te voeren hadden, vooral omdat niemand hun leerde, hoe zij dien voeren moesten. Niemand zei hun, hoe zij het zand moesten vastmaken, zoodat het stil bleef liggen. Zij vergenoegden zich met het zetten van omheiningen om de akkers heen, die het dichtst bij het woonhuis lagen, om ten minste die te kunnen bewaren.
De menschen daar bekommerden er zich niet om, dat zij ter wille van hun hardnekkigheid in armoede moesten leven. Zij stelden boven alles hun onwil om zich te laten verdrijven. In plaats van de groote kudden, die ze vroeger bezaten, hadden ze nog maar een paar koeien en een enkel paard. Maar zoolang ze die onderhouden konden, waren ze nog bij machte stand te houden.
Wat hen steunde was het gevoel, dat zij in aanzien stegen door den strijd, dien ze voerden. De menschen vonden het flink, dat ze zich niet lieten verdrijven, en als de boer van Brendane zich op een volksbijeenkomst vertoonde, waren er altijd, die omkeken om den man te zien, die de kracht had het in het struifzand vol te houden.
Maar honderd jaar geleden, toen de strijd tusschen het zand en de menschen op zijn hoogst was, scheen het op eens, alsof het zand het zou winnen. De boer van Brendane stierf plotseling in de kracht van zijn leven, en de zoon, die hij naliet, was niet