ouder dan vijftien jaar, en kwam onder voogdij van zijn moeder. Dus nu was zij het, die den strijd tegen het zand moest voortzetten, en hoewel zij zich tot dien tijd toe goed had gehouden, was er niemand, die geloofde, dat ze volharding genoeg zou hebben, om tegen zulk een vijand te strijden. De zoon heette Sigurd. Hij leek op zijn moeder, die blond en mooi was. Hij scheen opgeruimd te zijn van aard, evenals zij, maar zoo lang zijn vader leefde, had deze al zijn bekommeringen met hem gedeeld, zodat hij wel wat heel gedrukt was geworden en te ernstig voor zijn leeftijd. Hij kon het goed met zijn moeder vinden. Zij waren het erover eens, dat zij zouden probeeren het op Brendane uit te houden, en zich niet minder te toonen dan de vorige eigenaars.
Toen de boer van Brendane een jaar dood was, kwam er een nieuwe knecht op de hoeve. Sigurd had hem niet gezien, voor hij in den herfst kwam. De huismoeder had hem op een bruiloft ontmoet, in den afgeloopen zomer, en zij had hem dadelijk gehuurd, zonder er met haar zoon over te spreken. De knecht heette Jan, hij was lang en tenger, zag bleek, en had sterk rood haar en zwarte oogen. De moeder ontving hem bizonder vriendelijk. Toen hij kwam, was er groot feest aangericht: griesmeelkoek, versch brood, verschgekarnde boter, kaas, worst en brandewijn. Er lag een wit tafellaken op tafel, als op feestdagen. De jongen at akelig veel, en Sigurd vond het vreemd, dat hij toonen wou, dat hij hongerig op de hoeve kwam. Onder den maaltijd en daarna sprak hij onophoudelijk; zijn mond stond geen oogenblik stil. Hij was heel grappig, en de moeder en de dienstboden hadden allen zoo'n plezier, dat ze soms slap van het lachen waren.
Sigurd keek hem aanhoudend aan, dien heelen avond, maar hij lachte niet.
De knecht ging een oogenblik in den stal om het paard te verzorgen, en dat nam de moeder waar, om Sigurd te vragen, hoe hij den nieuwaangekomene vond. Sigurd wist, dat zijn moeder heel blij zou zijn, als hij antwoordde, dat hij met hem was ingenomen, maar dat kon hij niet over zich verkrijgen.
"Is hij niet een Tater?" vroeg hij.
"Hij!" antwoordde de moeder. "Waarom zou hij een Tater zijn? Weet je niet, dat de Taters donker zijn? En deze heeft immers rood haar."
"Ja, maar hij heeft zilveren knopen aan zijn vest."
"Dat kan hij toch wel hebben zonder een Tater te wezen," zei de moeder, en scheen verdrietig te zijn.
De volgende dagen was Sigurd veel met den nieuwen knecht samen, en wat hij ook van zijn afkomst dacht, hij kon niet ontkennen, dat hij goed werkte. Hij was zoo flink, dat hij in één