Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/168

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

vodden schenen geladen te zijn, en door ellendige, uitgehongerde paarden werden getrokken; en met de wagens kwamen lange, magere mannen, met gezichten vol schrammen en litteekens, leelijke vrouwen met geel vel, en een eindeloos aantal kinderen met zwarte oogen, die overal rondsprongen, en om alles bedelden, wat ze zagen. Vader was niet thuis geweest, en ze hadden Moeder bang gemaakt, en haar gedwongen hun alles te geven, wat ze begeerden. Ze had hun eten, brandewijn, hooi, wol en kleeren moeten geven, zoodat — toen ze eindelijk weg waren, — het huis als uitgeplunderd was. En dat alles kwam hem nu weer voor den geest, nu Jan speelde. Hij zocht zich aan die herinnering te ontworstelen, maar er was iets in die muziek, wat hem aan de schelle schreeuwende vagebondenstemmen herinnerde.

Een paar dagen later kwam Sigurd haastig in de groote kamer, waar zijn moeder zat te spinnen.

"Nu moet ik u zeggen, dat Jan toch een Tater is," zei hij.

De moeder boog zich wat meer voorover, maar hield niet op met spinnen.

"Neen, wat zeg je!" antwoordde zij. "Dat is een wonderlijk nieuwtje!"

Er was iets in haar toon, alsof ze hem voor den gek hield.

"Daar kwam zoo pas een wagen vol Taters voorbij, toen Jan en ik op de plaats stonden. Ze riepen Jan iets toe, en hij antwoordde hun."

"'t Is toch zeker niet verboden met Taters te spreken," zei de moeder, en scheen niet het minste belang aan dat bericht te stellen.

"Neen, maar ze riepen hem iets toe in hun eigen taal, en hij atnwoordde. Ik kon er geen woord van verstaan."

"En nu denk je zeker, dat Jan, omdat hij de Tatertaal verstaat, nu ook zelf een Tater moet zijn," zei de moeder op den meest onbezorgden toon van de wereld en zonder met haar werk op te houden.

"Gelooft u het dan ook niet?" vroeg de jongen.

Hij was er verbaasd over, dat de moeder dit zoo kalm opnam.

"Moet u hem nu niet wegsturen?" vroeg hij weer, want hij had altijd gehoord, dat het onmogelijk was een Tater in dienst te hebben. Hij herinnerde zich de wanhoop van zijn vader, toen de Taters er geweest waren, en hij het huis uitgeplunderd had gevonden bij zijn thuiskomt.

"Ik dacht, dat deze hoeve al genoeg te lijden had," zei hij.

"Ik dacht, dat het zand al erg genoeg was. Moeten nu de Taters ook nog over ons komen?"

Later in den avond had de vader Sigurd bij zich geroepen.

Hij had hem tusschen zijn knieën gezet, en was begonnen met hem over de Taters te spreken.