"Onthoud nu wat ik je zeg," zei hij, "en vergeet dat nooit! Je moet er voor oppassen, dat je nooit iets met Taters te maken hebt. Want ze zijn niet als wij, en dat worden ze ook nooit. Ze hebben iets van wilden in zich, zoodat ze 't niet kunnen uithouden onder een dak te wonen, maar vaak langs den weg moeten zwerven. Ze kunnen nooit zoo tam worden, dat ze behoorlijk werk kunnen doen, maar ze willen leven van paarden ruilen en kaartspelen, als ze niet bedelen of kleinigheden stelen. En als een Tater ooit zoo ver komt, dat hij werkt, dan zul je zien, dat hij nooit wat nieuws maakt; hij zal alleen maar oude dingen oplappen en opknappen."
Sigurd zag zijn vader duidelijk voor zich, zooals hij was, toen hij dat zei. Hij was heel ernstig geweest, en zijn woorden hadden zwaar en dreigend geklonken.
"Onthoud nu, dat je nooit op een Tater vertrouwen moet, want ze hooren niet tot onzen stam, en ze zullen ons altijd in den steek laten! Ze zijn meer verwant met heksen en stroomgeesten dan met ons. Daarom kunnen ze beter voorspellen en vioolspelen dan wij, maar daarom kunnen ze ook nooit eerlijke christenmenschen worden. Ze lijken ook daarin op 't heksenvolk, dat ze graag de dorpen insluipen, en vleien en zich indringen, zoodat ze in dienst komen bij ons, boeren, en met onze dochters trouwen, en zoo landeigenaars worden; maar wee de familie, die er een in huis krijgt, want vroeg of laat krijgt de hekserij macht over hen! Ze kunnen nog zoo hun best doen, maar eindelijk verknoeien en bederven ze alles, en brengen ellende over allen, die op hen vertrouwd hebben."
Sigurd stond zwijgen naast zijn moeder, en dacht aan dit alles. Zij zweeg ook, en aarzelde met haar antwoord.
"'t Is het beste, dat u Jan zoo gauw mogelijk wegzendt," drong hij nog eens aan.
Nu liet de moeder haar werk rusten; ze hief het hoofd op en zag Sigurd diep in de oogen:
"het kan mij niet schelen, van wat voor stam Jan is," zei ze.
"Ik ga met hem trouwen. Aanstaanden Vrijdag gaan we naar den dominé en zullen aanteekenen."
Sigurd was ijskoud. Maar wat hem nu 't meest pijn deed, was dat hij buiten alles was gehouden, en dat zijn moeder alles al bepaald had, zonder te vragen wat hij er van dacht.
"Als u alles al samen in orde hebt gemaakt, hoef ik ook niets meer te zeggen," barstte hij uit, keerde zich om, en wilde de kamer uitgaan.
Maar toen hij de deur opendeed, stond hij tegenover den knecht. Jan kwam de kamer in met iets vreeselijks droevigs en sombers over zich. De meest hopelooze smart stond op zijn gezicht te lezen.