Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/170

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

"Ik hoor, dat Sigurd mij weg wil hebben, omdat ik een Tater ben," zei hij, en ging op de huismoeder toe met uitgestrekte hand als om afscheid te nemen. "Voor mij blijft niet anders over dan weer langs den weg te zwerven."

"Je hoeft je aan Sigurd niet te storen," zei de huismoeder. "Ik heb hem gezegd, dat we van plan zijn naar den dominé te gaan om aan te teekenen."

"Daar kunnen we niet aan denken," zei de knecht. Hij zonk op een bank neer, alsof hij geen kracht had zich op de been te houden, keek strak naar den vloer, en sloeg met de muts tegen de hand. "Het helpt niet, of je al probeert er uit te komen," zei hij. "Je kunt je uiterste best doen, je kunt het bloed uit je vingers werken, je wordt toch teruggestooten. Hij, die van boeren afstamt, kan nooit begrijpen, wat het zeggen wil, niets dan een vagebondenwagen te hebben geërfd. Voor mij is geen redding. Ik moet weer leven van paarden ruilen en ketels vertinnen."

Nu kwam de huismoeder op den knecht toe.

"Ik heb gezien, hoe je je best hebt gedaan," zei ze. "Ik geloof, dat Sigurd het ook heeft gezien. Ik denk, dat hij grootmoedig genoeg is om je te vertrouwen."

"Neen, dat kun je niet verlangen," zei de knecht.

"Maar in ieder geval heb ik voorloopig te bevelen," ging de huismoeder voort.

"Maar ik kan hier geen dag blijven tegen Sigurd's wil," antwoordde Jan. "De hoeve is toch van hem en 't zou maar verwijdering geven tusschen hem en u, als ik bleef."

Er volgde een lange poos stilte, nadat Jan dit gezegd had. Sigurd begreep, dat zijn moeder nu verwachtte, dat hij Jan zou vragen te blijven, en zelf was hij zóó bewogen door zijn woorden, dat hij zéér geneigd was dat te doen. Maar toen dacht hij aan wat zijn vader van de Taters had gezegd, en hij voelde zulk een strijd en onrust in zijn hart, dat hij niets kon zeggen. Hij zou willen weten, of er ook onder de Taters niet een eerlijke, flinke man kon wezen, en of Jan niet een heel ander mensch was dan al de andere.

Jan zat daar heel stil. Hij sloeg niet meer met de muts tegen de hand. Hij zat somber voor zich uit te staren, alsof hij een eindelooze ruimte vol ongeluk overzag.

Toen verbrak de moeder de stilte.

"Ik weet, wat je voor een man zou geworden zijn, als je hier bij ons had kunnen blijven," zei ze. "En ik wil niet, dat je weer in ellende zult verzinken. Daarom wil ik je volgen, waar je ook heengaat."

"Dat moogt u nooit doen," riep de knecht dadelijk. "Zoudt u als de vrouw van een vagebond rondzwerven, u, die de vrouw van een boer is geweest!"