"Daar moet ik maar aan wennen, als je vindt, dat je niet hier kunt blijven."
"Neen, dat doe ik nooit," barstte de knecht uit. "Ik dank u, omdat u dat doen wilt! Maar ik wil u niet meesleepen in het ongeluk!"
Sigurd zweeg nog altijd. Maar nu begon hij zich bijna over zichzelf te schamen. De beide anderen waren bereid tot al, wat goed en edel was, en hij was hard en wantrouwend.
Eindelijk stond de Tater op, ging op Sigurd toe, en reikte hem de hand.
"Goeden dag dan, Sigurd!" zei hij. "Je moet niet denken, dat ik boos op je ben. Je hebt zeker zóó veel kwaad van ons, Taters gehoord, dat ik wel begrijpen kan, dat je geen goeds verwachten kunt van een van ons."
Sigurd nam zijn had niet aan, en zei ook niets. Hij was nu zóó overweldigd door hun edelmoedigheid, en zóó beschaamd over zijn eigen hardheid, dat hij voelde, dat hij op het punt stond in tranen uit te barsten.
Maar hij wilde niet, dat iemand hem zou zien schreien, en hij vloog naar de deur. Maar al in de gang verloor hij zijn zelfbeheersching, en hij schreide luid.
Den volgenden dag was Sigurd heel stil, en sprak niet. Hij zat op den eiken drempel van het voorhuis, zonder iets te doen. Jan was bezig op de hoeve, en de jongen volgde hem met de oogen, maar hij ging niet naar hem toe. Jan riep hem bij zich, en sprak vriendelijk en opgewekt tegen hem, zooals gewoonlijk. Sigurd was daar blij om, en van toen af was hij den heelen dag bij hem. Zijn moeder was ook vriendelijk voor hem, maar daar scheen hij niet zooveel om te geven. 't Was alsof hij iemand was, die niet meer dan één tegelijk kon liefhebben, en alle liefde, die hij vroeger voor zijn moeder had, scheen hij nu op Jan overgedragen te hebben.
't Was duidelijk, dat Sigurd zich niet meer tegen het huwelijk verzette, het werd afgekondigd, en de bruiloft werd gevierd, zooals het plan was. 't Was een stille bruiloft. Alleen de naaste buren waren genoodigd, en niemand van Jans familie. Jan zelf was heel ernstig; hij voegde zich niet bij de jongelui, maar zat rustig te praten met oudere mannen. De menschen begonnen goed over hem te denken, en op weg naar huis, na de bruiloft, zeiden enkelen, dat het misschien toch mogelijk was, dat een Tater een behoorlijk arbeidzaam man kon worden.
Toen Jan een paar weken getrouw geweest was, begonnen hij en Sigurd op een dag een nieuwen put te graven. Toen zij dieper in den grond groeven, vonden ze verscheiden verschillende aardlagen. Bovenop lag een dunne korst vruchtbare aarde daar-