Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/172

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

onder een laag zeezand, en daaronder grof grint en klei. Nu en dan stootten ze op oude messen en sleutels die jaren geleden in den grond begraven waren: hoe verder 't werk kwam, hoe meer plezier zij er in kregen. Ze spitten zoo hard ze konden, om te zien wat ze nog meer zouden vinden, en schertsten er samen over, dat ze nog wel goud en zilver zouden opgraven. Toen ze nog een paar el dieper waren gekomen vonden ze weer zeezand, en daaronder een nieuw soort klei. Zoodra Jan die zag gaf hij een schreeuw, boog zich neer, en nam er wat van op, dat hij tusschen de vingers kneep. Eindelijk proefde hij het ook.

"Zei ik het niet, dat we goud zouden vinden!" barstte hij uit.

"Wat heb je dan gevonden?" vroeg Sigurd.

"Ik zeg niets, voor ik zeker van mijn zaak ben," antwoordde de Tater.

Op datzelfde oogenblik kwam de huismoeder en riep Jan.

"Je moet boven komen en mij helpen, Jan." zei ze.

Jan en Sigurd keken tegelijk over den rand van de put, en zagen, dat een paar gewone vagebondwagens de hoeve waren opgereden. De bronskleurige mannen met schrammen en litteekens in 't gezicht, de leelijke vrouwen en schreeuwende, woeste kinderen waren er ook. Sigurd werd bang, toen hij ze zag, en hij meende, dat ook Jans gezicht somber werd.

"Kun je ze niet wegjagen, Jan?" vroeg de huismoeder bekommerd.

"Dat gaat niet best," zei Jan lachend. "'t Zijn Vader en Moeder, en mijn broers en zusters, die komen zien, hoe 't met me gaat."

Hij sprong uit de groeve, en ging de aangekomenen te gemoet. Er was nog iets aarzelends over zijn houden, maar hoe dichter hij bij zijn familie kwam, hoe harde hij liep, en toen hij midden tusschen hen in stond, sloeg hij de armen uit, en deed een uitroep, als iemand, die uit een gevangenis gekomen is. Hij werd zoo uitgelaten blij, dat hij allerlei dwaasheden beging.

Met een sprong stond hij op den rug van een van de paarden, balanceerde daar een poosje, en vloog weer nar beneden. Hij begon te worstelen met zijn oudsten broeder, en een oogenblik daarna was hij midden in den kindertroep, wierp zich op den grond, en stoeide met al dat wilde jongen goed.

't Was den heelen dag feest. Jan deed bijna niet anders dan vioolspelen. 't Werd een groot drinkgelag, maar Jan dronk zelf niet veel; hij speelde alleen maar. Tegen den avond begon het dansen, en Jan danste meê, maar hij speelde ondertusschen door.

Sigurd zat in de kamer. Hij vond de andere Taters even akelig als vroeger, maar hij kon den lust niet weerstaan naar Jan te kijken, en hem te hooren spelen. En hoe langer hij luisterde, hoe lichter en zorgeloozer hij zich voelde. 't Was alsof hij nu voor 't allereerst begon te begrijpen, dat het leven prettig kon zijn.