Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/173

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

't Had hem altijd gedrukt en bezwaard, dat hij met het zand moest strijden, — hij, evenals zijn voorvaderen, — dat hij de hoeve moest zien in stand houden, — hij, evenals zij — maar omdat je eens een enkelen keer blij was, hoefde je de hoeve toch niet te vergeten.

Later liep het zoo vreemd, dat Jan, de Tater, er nooit weer aan toe kwam den put verder te graven. Den volgenden dag, toen zijn familie vertrokken was, ging hij slapen, en toen hij laat op den middag wakker werd, stond daar een man met een boodschap van den rijksten boer in de gemeente. 't Was een verzoek, of Jan hem wou komen helpen. Hij zou de bruiloft van zijn dochter vieren, maar de speelman, dien hij aangenomen had, was ziek geworden, en nu had hij het huis vol menschen, die er naar verlangden te kunnen dansen, maar er was geen speelman. Jan ging meê en Sigurd ook. Zij bleven drie dagen weg. Toen ze terugkwamen, waren ze moe en lusteloos, en konden niet aan het werk komen. Sigurd had gedanst en gedronken, meêgedaan aan allerlei spelen en geschertst. Hij liep rond als in een roes, en kon maar niet bekomen van zijn verbazing over de ontdekking, dat het leven zóó heerlijk kon zijn.

't Scheen wel voorbeschikt, dat telkens, als zij er over spraken, weer aan den put te beginnen, er gasten moesten komen. Meestal waren het familieleden van Jan. Hij scheen verwant te zijn aan alle Taters, die in Halland woonden, en allen ontving hij zoo goed, als hij maar kon. Dat verminderde den voorraad in de provisiekamer en op den korenzolder niet weinig, en als Jan met zijn vrouw en Sigurd alleen was, klaagde hij erover, dat zijn eigen familie hem aan den bedelstof bracht. Maar als ze kwamen, aarzelde hij nooit ze met de meeste gastvrijheid te ontvangen. Nu en dan verleidden ze hem tot kaartspelen, en eens gelukte het een Tater met spelen een koe van hem te winnen. Aan zijn vrouw en Sigurd zei hij, dat hij de koe had verkocht, maar door anderen kwamen zij te weten, hoe het eigenlijk gegaan was.

De koe was zoowat alles, wat Sigurd bezat, en toen hij hoorde, dat Jan haar verspeeld had, werd hij heel boos. 't Was alsof dit opeens zijn oogen opende, zoodat hij zag, hoe het met de hoeve stond.

Brendane was immers al zoo arm, dat de grootste spaarzaamheid noodig was om daar te kunnen leven. Maar nog armer was het geworden onder het beheer van Jan, den Tater. 't Kwam Sigurd voor, dat het heele laatste jaar als in een droom was voorbijgegaan. Nu zag hij, hoe de akkers verzand waren. Er was nauwelijks meer een, die bruikbaar was. In 't voorjaar had Jan in 't kale zand gezaaid, en maar ene paar halmpjes waren opgekomen. Heel Sigurd's vaderlijk erfdeel was bijna verspild.