Sigurd ging de kamer binnen, om met Jan te spreken, maar Jan stond te spelen; en Sigurd kwam er niet toe zijn spel af te breken, maar zat met een bezwaard hart te luisteren. Zooals altijd werd hij langzamerhand kalmer, toen hij Jan hoorde spelen. Hij dacht aan het strenge, zware leven, dat zij hadden geleid, vóór de Tater in huis was gekomen, en hij vroeg zich af, of hij zelf dat opnieuw zou willen beginnen.
Plotseling hield Jan met spelen op.
"Zeg me nu één ding, Sigurd," zei hij met ongewoon vriendelijke stem. "Wil je, dat ik wegga, en jou en wat je bezit met rust laat?"
Sigurd was heelemaal verbluft, want hij had er juist over zitten denken, hoe hij hem wegkrijgen zou. Hij kon niet antwoorden.
"Zeg maar één enkel woord, als je me kwijt wilt wezen," zei Jan.
Toen voelde Sigurd zijn, dat zijn hart ineenkromp bij die gedachte, dat Jan en hij zouden scheiden.
"Neen, ik wil liever, dat je hier blijft," zei hij.
"Stel mij er dan niet verantwoordelijk voor, hoe het met je erfdeel gaat," zei Jan, "want wat ik je nu aanbood, was eerlijk gemeend."
Het duurde ook niet heel lang, voor de tijd kwam, dat Sigurd er met den vagebondwagen op uit moest trekken. Er was geen eten meer in de provisiekamer, geen volk meer in de dienstbodenkamer, geen koe meer in de schuur.
Er was niets meer dan een boerenwagen en een paard, want dat had Jan niet weg willen doen. Toen ze op een dag niets meer hadden om van te leven, spande Jan het paard voor den wagen, laadde dien vol potten en pannen, oude dekens en kussens, en legde er ook zijn werktuigen voor 't vertinnen in. Eindelijk riep hij zijn vrouw. Ze kwam naar buiten met een kindje op den arm, en ging op de lading zitten.
Sigurd had niet deelgenomen aan al die toebereidselen. Hij zat er onbewegelijk naar te kijken, hoe de andere zich klaar maakten voor de reis.
"Hoe het ook gaat, ik zal de hoeve niet verlaten," dacht hij.
"Al zou ik hier doodhongeren, ik zal hier blijven tot het laatste toe."
Zijn moeder en Jan schenen het ook als een uitgemaakte zaak te beschouwen, dat hij zou achterblijven. Geen van hen sprak er ook maar een enkel woord over, dat hij meê zou gaan. Maar al naarmate het oogenblik van hun vertrek naderde, voelde Sigurd zich meer ellendig en beklemd. Hij liet hen toch afscheid nemen en van de hoeve wegrijden, zonder zich te bewegen. Toen de wagen het hek uit reed, kwam de angst voor de eenzaamheid met alle kracht over Sigurd, en hij greep met beide handen de bank vast, waar hij op zat, om zich te bedwingen en hen niet