achterna te vliegen. Op dat zelfde oogenblik keerde Jan zich nog eens om, en zag Sigurd aan. Sigurd stond op, en toen Jan dat merkte, begon hij hem te wenken. En met een paar groote sprongen was Sigurd bij den wagen en er boven op.
Daarna ging Sigurd een paar jaar meê met Jan op zijn reizen door het land. Ze trokken meestal op deze manier voort, dat Jan en Sigurd naast den wagen liepen, maar de vrouw en het kind reden. Als ze in de nabijheid van een hoeve kwamen, hielden zij stil aan den kant van den weg. Sigurds moeder ging dan naar 't huis, en bedelde om eten en koren, en vroeg of er ook koperen ketels waren, die vertind moesten worden, maar de mannen bleven bij den wagen. Het moeilijkst was des nachts onder dak te komen. Vaak waren ze gedwongen onder den blooten hemel te overnachten, maar daar wenden zij ook spoedig aan. Waar er maar markt gehouden werd, of het diep in Smaland was, of ver in 't Zuiden in Skaane, zij zorgden, dat ze er bij waren. Dan ontmoetten ze heele troepen van de andere zwervers, en in hun gezelschap leefden ze dan een lustig leventje, dagen lang: Jan dronk veel op zulke marktdagen, en Sigurd wende zich ook aan het drinken. Om en bij kerstmis, als het al te koud werd, hielden ze gewoonlijk met zwerven op, en keerden naar Brendane terug. Daar bleven zij, zoolang er nog iets over was van de levensmiddelen, die ze op reis hadden bijeengebedeld. Daarna trokken zij er weer op uit.
Dit leven hadden de Taters geleid van de tijd af, dat ze in Zweden waren gekomen, en Jan begeerde niets beters dan dat voort te zetten. Hij zei nu telkens, dat he een dwaasheid van hem was geweest te probeeren zich ergens te vestigen. Hij moest vrij zijn; hij moest ten allen tijde kunnen gaan, waar hij wilde.
Het scheen ook, alsof zelfs Sigurd tevreden was, en of de vriendschap tusschen hem en Jan steeds even groot bleef. Toch was er een en ander, dat er op wees, dat Sigurd door een innerlijke onrust werd verteerd. Hij dronk veel; niet als iemand, die van drinken houdt, maar alsof hij alleen dronk om een groot verdriet te dempen. Hij was ook prikkelbaar geworden, en de minste aanleiding kon hem hevig boos maken.
Terwijl ze heen en weer trokken door Halland, zagen ze vaak groote velden stuifzand, en dan werd Sigurd altijd zwaarmoedig. Op een dag, toen ze over zulk een eindeloos zandveld trokken, zei Jan:
"Hier was vroeger bosch. Dat heb ik mijn vader hooren vertellen. 't Is toch vreemd, dat alles zoo verwoest kon worden."
"De menschen, die tegen het zand hadden moeten strijden, zijn zeker weggegaan, en hebben 't land aan zijn lot overgelaten," antwoordde Sigurd bitter.