"Denk je dat?" zei Jan heftig. "Dan wil ik je wel zeggen, dat je naar huis kunt gaan en 't zand van je akkers halen. Niemand houdt je hier."
"Je weet wel, dat ik niet meer naar huis kan gaan om te werken," zei Sigurd weer. "Ik ben nu bijna een even goede Tater als jij. Ik houd van brandewijn en kaartspelen, en ik wil niets uitvoeren. Ik ben nu heelemaal, zooals je me hebben wilt."
Op een anderen dag waren zij op een weg gekomen, die langs den kant van een groot zandvlak liep. Hier had men geprobeerd het zand vast te leggen, en er waren een massa denneboompjes gezaaid. Een daarvan groeide vlak aan den kant van den weg, en toen Jan er voorbij kwam, schopte hij het om met zijn voet.
"Wat doe je daar?" vroeg Sigurd scherp. Hij fronste het voorhoofd, en zag er uit, alsof hij lust had den Tater aan te vallen.
"Ik schop dat plantje om, en ik zou grooten lust hebben al die andere ook om te schoppen."
"Wat zou je daar nu aan hebben?" vroeg Sigurd.
"Ik weet niet hoe het komt," zei Jan, "maar in de landen waar groote, kale velden zijn en wijde open heiden, daar zijn de Taters graag. Maar waar de boeren vooruit komen, en zaaien en zich vestigen, daar kunnen wij het op den duur niet uithouden."
"Dat kan wel wezen," zei Sigurd, "maar je zult toch dat denneboompje weer in den grond zetten."
Jan scheen bijna niet te begrijpen, wat hij bedoelde. Hij stond maar voor zich uit te kijken.
"Zet dat were in den grond, anders zul je eens zien, wat er gebeurt, als ik meerderjarig word!" schreeuwde Sigurd.
Jan bukte zich, en zette het boompje weer in den grond. Toen hij opstond zag hij Sigurd aan met een valsche uitdrukking op zijn gezicht, maar hij zei niets.
Sigurds buren verwonderden er zich sterk over, dat hij, die van zulk een goede familie was, het bij de Taters kon uithouden, en velen verwachtten, dat hij van hen zou weggaan, als hij meerderjarig werd. Maar als dat zijn bedoeling geweest was, kon hij die toch niet ten uitvoer brengen, want op denzelfden dag, dat hij meerderjarig werd, nam men hem gevangen voor diefstal. Hij was met zijn moeder en Jan op een gewonen zwerftocht uit, en des morgens had Jan Sigurd gewekt, en hem gevraagd dien dag den wagen voor hem te rijden, omdat Jan op een feest moest spelen bij den dans.
"Als e niet al te hard rijdt, zal ik he morgen wel bijtijds inhalen."
Sigurd liep over allerlei te denken dien dag, terwijl hij zoo langs den weg stond. Vroeger had hij zichzelf probeeren wijs te maken, dat hij het werk van zijn vader weer zou opnemen, als hij meerderjarig werd, maar nu voelde hij, dat hij er geen