kracht toe had. De heele hoeve lag nu onder het zand, geen voetbreed grond was meer vrij, en om het woonhuis lagen de zandhoopen hoog tegen de muur op. Hij begreep niet wat hij thuis nog zou uitvoeren. Wat hielp het, werk te verspillen aan een hopelooze zaak?
Nauwelijks had Sigurd besloten de hoeve aan haar lot over te laten, of hij werd door een paar vreemde mannen aangeroepen. Hij hield stil, en ze kwamen naar hem toe, en bekeken zijn paard. 't Was een nieuw paard. Jan was er den vorigen avond meê aangekomen, en had Sigurd gezegd, dat hij het van een boer in Frilles-aas had gekocht. Nu bleek het, dat het paard gestolen was, en Sigurd, die er meê reed, werd gevangen genomen als paardendief.
Sigurd werd niet erg ongerust over die aanklacht. Hij kon een heele massa menschen als getuigen aanroepen, dat hij den vorigen dag niet in Frilles-aas was geweest. Hij ging zonder tegenstand in arrest, en was er zeker van, dat hij zou worden vrijgesproken, zoodra zijn zaak behandeld werd.
't Eerste wat Sigurd zag, toen hij de rechtszaal binnen kwam, was Jan, die daar midden tusschen een heele bende Taters zat.
"Jan is hier gekomen om mij te helpen," dacht hij, want hij wist, dat al die mannen gezien hadden, waar hij was geweest op den dag, dat de diefstal had plaats gehad. Maar toen later de getuigen werden opgeroepen en getuigenis aflegde, bleek het, dat de een na den ander hem had gezien op den weg naar Frilles-aas, ja zelfs vlak bij de stad. Velen waren hem midden in den nacht tegengekomen, toen hij met het gestolen paard was komen aanrijden.
Jan zelf hoefde niet te getuigen, maar Sigurd verwachtte aldoor, dat hij op een of andere manier zou ingrijpen, en een eind aan al die onwaarheid maken. Maar Jan deed niets om hem te hulp te komen; en naarmate de zaak bedenkelijker voor Sigurd werd, kreeg Jans gezicht meer en meer een uitdrukking van diepe smart. Eens ontmoetten hun oogen elkaar, en toen zag Jan Sigurd aan, zooals een goede vader een ontaarden zoon aanziet, die op den verkeerde weg gekomen is.
Toen Sigurd dien blik ontmoette, was hij eerst als versteend, maar kort daarna speelde er een glimlach om zijn lippen. Hij had gezien, dat alles wat er op Jans gezicht te lezen stond, leugen was. Hij had gezien, dat Jan blij was; dat het Jan was, die hem had doen gevangen nemen, en dat Jan bewerkte, dat hij veroordeeld werd.
Maar het vreemde was, dat toen Sigurd dit alles helder inzag, er een gevoel van blijdschap door zijn heele ziel ging. Hij was verbaasd over zichzelf, omdat hij het zoo voelde. Hij begreep.