Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/178

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

dat hij tot verscheidene jaren dwangarbeid zou worden veroordeeld, maar hij voelde zich als iemand, die de vrijheid terugkrijgt.

Toen Sigurd naar de gevangenis teruggebracht en daar alleen gelaten was, voelde hij, dat hij plotseling een ander mensch was geworden. Van het oogenblik af, dat hij Jan, den Tater, doorzien had, en 't hem duidelijk geworden was, dat hij in 't diepst van zijn ziel valsch en hard was, werd hij uit een jarenlange betoovering verlost. Hij was in de macht van een ander geweest, en er was vreugde in zijn ziel, omdat hij nu weer vrij zou zijn. Maar op 't zelfde oogenblik, dat hij op die manier wakker werd, zag hij ook zichzelf, zooals hij was geweest, en hij schrikte daar hevig van.

Toen Sigurd de volgende keer voor het gerecht werd gebracht, trachtte hij zich nauwelijks te verdedigen. Wat kwam het er op aan, of hij schuldig was aan den paardendiefstal, hij voelde zich toch als een groot misdadiger. Hij was in een stemming, dat hij graag lijden wilde. En hij was er blij om, dat hij op deze manier werd gescheiden van al het oude, van alles wat hem had verlokt en verleid. Toen het vonnis werd uitgesproken, dacht hij er nauwelijks aan, wat het eigenlijk inhield. Op hetzelfde oogenblik stond hij daar zichzelf te veroordelen tot levenslangen dwangarbeid. Hij wilde den strijd van zijn voorvaderen weer opnemen, hoe hopeloos die ook scheen.

En werkelijk kwam eenmaal de dag, dat Sigurd naar huis terugkeerde, en 't werk begon. Hij richtte het zoo in, dat hij 's winters naar Skaane trok, als dorscher, en in 't voorjaar kwam hij weer thuis met zooveel levensmiddelen, dat hij op Brendane kon blijven tot den herfst. Hij probeerde helm en dennen te planten om het zand vast te leggen: hij vorderde niet veel, maar werkte onverdroten, zooals hij zichzelf had opgelegd te doen.

Op een dag kwam hij op de gedachte, dat het goed zou zijn een put in de buurt te hebben, en hij begon die te graven, ongeveer op dezelfde plaats, waar Jan en hij eens hadden gewerkt. Toen hij een paar el diep gekomen was, vond hij een mergellaag. Hij had in Skaane geleerd waar mergel goed voor is, en hoewel hij nu een heel stil man was geworden, raakte hij opgewonden van vreugd. Nu wist hij, dat hij niet alleen het zand zou overwinnen, maar dat hij het ook vruchtbaar maken zou. Nu was het gedaan met den dwangarbeid; nu kwam er een werken met hoop en vreugd. Hij zag zich al in gedachten als eigenaar van een groote, rijke hoeve.

Op eens herinnerde hij zich toen, hoe Jan en hij hadden gespit om een put te maken, en dat Jan een stuk klei had opgenomen en gezegd, dat hij goud had gevonden.

"Hij wist dat van den mergel," dacht Sigurd. "Hij heeft het