Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/180

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

XVIII.

HET GROOTE VOGELMEER.



JARRO, DE WILDE EEND.

Ten oosten van het meer Wettern ligt het Takermeer. Daaromheen strekt zich het groote, vlakke land van Oost-Gothland uit.

't Takermeer is vrij groot, en nog grooter schijnt het vroeger geweest te zijn. Maar toen vonden de menschen, dat het een al te groot gedeelte van de vruchtbare vlakte bedekte, en zij probeerden het water uit te malen, om op den bodem van het meer te kunnen zaaien en oogsten. Het gelukte hun niet het geheele meer te verleggen, zooals ze eerst wel gewild hadden: nog altijd bedekt het een groot stuk land. Maar na dit uitmalen is het meer zoo ondiep geworden, dat bijna nergens meer dan een meter water staat. De kusten zijn moerassig en modderig geworden, en overal steken kleine slik-eilandjes boven den waterspiegel uit.

Nu is er iemand, die graag met de voeten in 't water staat, als hij 't hoofd en 't lichaam maar boven water houden mag en dat is het riet. Dat kan geen beter groeiplaats vinden, dan de groote, slikkige Takerkust en de slikeilandjes daarom heen. Dat tiert daar zóó goed, dat het meer dan manshoog wordt, en zóó dicht, dat het bijna onmogelijk is er met een boot door te komen, het vormt een breede ondoordringbare, groene, omheinde strook, om het geheele meer, zoodat het alleen op enkele plaatsen toegankelijk is, waar menschen het riet hebben wggenomen.

Maar al sluit het riet den weg voor de menschen af, het geeft daarentegen een schuilplaats aan allerlei andere wezens. Tusschen het riet zijn veel plasjes en kanalen, met groen, stilstaand water, waar kroos en de waterkolf tiert, en waar muggenlarven, jonge visschen en klompen wormen in eindelooze massa's geteeld worden. En aan de kanten van die plasjes en kanalen zijn er een menigte goed verborgen plaatsjes, waar de vogels hun eieren kunnen