Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/182

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

de huismoeder zien, een jonge vrouw, met een vriendelijk gezicht. Zij nam den jongen dadelijk Jarro af, streelde hem over den rug, en veegde het bloed af, dat uit de veeren aan zijn hals sijpelde. Zij bekeek hem nauwkeurig, en toen zij zag, hoe mooi hij was, met zijn donkergroenen glanzenden kop, zijn witte ring om den hals, zijn bruinrooden rug, en de blauwe vlekken op de vleugels, vond ze zeker dat het jammer zou wezen, als hij sterven moest. Ze maakte gauw een mandje in orde, waar zij den vogel in neerlei als in een bedje.

Jarro had al dien tijd gefladderd en geworsteld om los te komen; maar toen hij begreep, dat de menschen niet van plan waren hem dood te maken, ging hij met een gevoel van welbehagen in de mand liggen. Nu eerst merkte hij, hoe uitgeput hij was van akeligheid en bloedverlies. De huismoeder droeg de mand door de kamer om ze in een hoekje bij den haard te brengen, maar al eer ze die had neergezet, had Jarro de oogen dichtgedaan, en was ingeslapen.

Na een poos werd Jarro wakker, door dat iemand hem zacht aanstootte. Toen hij de oogen opendeed, werd hij zóó verschrikt, dat hij bijna flauw viel. Nu was hij toch verloren, want daar stond hij, die gevaarlijker was dan menschen en roofvogels. Dat was niemand anders dan Caesar zelf, de langharige jachthond, die hem nieuwsgierig besnuffelde.

Hoe akelig bang was Jarro den vorigen zomer niet geweest, toen hij nog een klein, geel, donzig jong eendje was, telkens als het geroep door het rietveld had geklonken, "daar komt Caesar aan! Daar komt Caesar aan!" Als hij den bruin en wit gevlekten hond had zien aankomen door het water, met den bek vol tanden, had hij gemeend den dood zelf te zien. Hij had altijd gehoopt, dat hij nooit het oogenblik zou beleven, dat hij Caesar van aangezicht tot aangezicht zou zijn.

Maar hij moest het ongeluk gehad hebben juist in de boerderij neer te vallen, waar Caesar woonde, want nu stond hij daar voor hem.

"Wie ben jij?" bromde hij. "Hoe ben je heir in de kamer gekomen? Hoor jij niet thuis op het rietveld?"

Nauwelijks kon Jarro moed vinden te antwoorden.

"Wees niet boos op mij. Caesar, omdat ik in de kamer ben gekomen," zei hij. "Ik kan het niet helpen. Ik ben aangeschoten. De menschen zelf hebben mij hier in deze mand gelegd."

"O zoo! hebben de menschen zelf je hier neergelegd," zei Caesar. "Dan is 't zeker hun bedoeling je weer beter te maken. Ik zou denken, dat ze wijzer deden je op te eten, nu ze je eenmaal hebben. Maar in elk geval ben je veilig in deze kamer. Je hoeft niet zoo angstig te kijken. We zijn hier niet op het Takermeer."

Met die woorden ging Caesar liggen slapen voor den vlammenden