haard. Zoodra Jarro begreep, dat dit vreeselijk gevaar voorbij was, kwam weer die groote vermoeidheid over hem, en hij viel in slaap.
Toen Jarro wakker werd, zag hij een schotel met gruttewater voor zich staan. Hij was nog heel ziek, maar hij had honger en begon te eten. Toen de huismoeder zag, dat hij zich bewoog, streelde zij hem, en keek, alsof ze blij was. Daarna sliep Jarro weer in. Verscheidenen dagen deed hij niet anders dan eten en slapen.
Op een morgen voelde Jarro zich zoo wel, dat hij uit de mand kwam, en door de kamer ging loopen.
Maar hij was nog niet ver gekomen, toen hij omviel, en bleef liggen. Toen kwam Caesar, deed zijn grooten bek open, en pakte hem op. Jarro meende natuurlijk, dat de hod hem doodbijten wou, maar Caesar droeg hem naar de mand terug, zonder hem kwaad te doen. Daardoor kreeg Jarro zoo'n vertrouwen in Caesar, dat hij op zijn volgende tocht door de kamer naar den hond toeging, en naast hem kwam liggen. Na dien tijd werden Caesar en hij goede vrienden, en Jarro lag elken dag verscheidene uren te slapen tusschen Caesars pooten.
Nog meer dan van Caesar hield Jarro van de huismoeder. Voor haar was hij heelemaal niet bang, maar hij streek met den kop langs haar hand, als zij hem eten kwam brengen. Als zij uit de kamer ging, zuchtte hij van verdriet, en als ze weer binnenkwam riep hij haar "welkom" toe in zijn eigen taal.
Jarro vergat heelemaal, hoe bang hij vroeger was geweest voor menschen en honden. Hij vond, dat ze vriendelijk en goed waren en hij had ze lief. Hij wou, dat hij gezond was, zoodat hij naar het Takermeer had kunnen vliegen, om aan de wilde eenden te vertellen, dat hun oude vijanden niet gevaarlijk waren, en dat ze heelemaal niet bang voor hen hoefden te wezen.
Hij had opgemerkt, dat zoowel de menschen als Caesar kalme oogen hadden, en het deed hem goed ze aan te zien. De eenige in de kamer, die hij liever niet in de oogen zag, was Klorina, de kamerkat. Zij deed hem ook geen kwaad; toch kon hij haar maar niet vertrouwen. Ook kibbelde ze altijd met hem, omdat hij van de menschen hield.
"Je meent, dat ze je verzorgen, omdat ze van je houden," zei Klorina. "Wacht maar, tot je vet ben. Dan draaien ze je den nek om. Ik ken ze wel, die menschen!"
Jarro had een teer, vergevensgezind hart als alle vogels, en hij werd bitter bedroefd, toen hij dat hoorde. Hij kon zich niet voorstellen, dat de huismoeder hem den hals zou willen omdraaien, en hij kon zooiets ook niet gelooven van haar zoontje, dat uren lang naast de mand kon zitten zingen en babbelen. Hij meende te begrijpen, dat zij hem even liefhadden als hij hen.