Op een dag, toen Jarro en Caesar op hun gewone plaatsje voor den haard lagen, begon Klorina, die boven op den haard zat, met de wilde eend te kibbelen.
"Ik zou wel eens willen weten, Jarro, wat jelui, wilde eenden, 't volgend jaar zult beginnen, als het Takermeer wordt drooggemaakt, en in een akker veranderd," zei Klorina.
"Wat ze je daar, Klorina?" riep Jarro, en sprong op van schrik.
"Ik vergeet altijd, dat jij niet, zooals Caesar en ik, de menschentaal verstaat," zei de kat. "Anders zou je wel hebben gehoord, dat de knechts, die gisteren in de kamer waren, erover spraken, dat al het water uit het Takermeer zou worden gemalen, en dat de bodem bijna even droog zou worden als de vloer van de kamer. En nu zou ik wel eens willen weten, waar jelui, wilde eenden, dan heen moeten."
Toen Jarro dat hoorde, werd hij zóó boos, dat hij siste als een slang.
"Je bent even akelig als een zwart waterhoen," zei hij tegen Klorina. "Je wilt me tegen de menschen opstoken. Ik geloof niet, dat ze zooiets zullen doen. Zij moeten toch wel weten, dat het Takermeer van de wilde eenden is. Waarom zouden ze zooveel vogels dakloos en ongelukkig maken? Je hebt dit alles vast maar bedacht om me aan 't schrikken te maken. Ik wou, dat Gorgo, de arend, je verscheurde! Ik wou, dat onze huismoeder je snor afknipte!"
Maar Jarro kon Klorina met dien uitval niet to zwijgen brengen.
"Zoo! Geloof je, dat ik lieg?" zei ze. "Vraag het Caesar dan, hij was gisteren avond ook in de kamer. Caesar liegt nooit!"
"Caesar!" zei Jarro. "Jij verstaat de menschentaal veel beter dan Klorina. Zeg nu eens, dat zij 't niet goed gehoord heeft. Stel je nu eens voor, hoe dat gaan moest, als de menschen het Takermeer gingen droogmaken en van den bodem van 't meer een akker maken. Dan zou daar geen watermuur en geen kroos meer zijn voor de groote eenden, en geen jongen visschen en kikkers en muggelarven voor de jonge. Dan zouden al die bosjes riet verdwijnen, waar de jongen eenden zich nu kunnen verstoppen, tot ze kunnen vliegen. Alle eenden zouden moeten verhuizen en een andere woonplaats zoeken. Maar waar vinden ze ooit zoo'n schuilplaats als het Takermeer? Caesar, zeg nu eens, of Klorina het mis heeft!"
't Was vreemd om te zien, hoe Caesar zich gedroeg onder dat gesprek. Hij was al dien tijd klaar wakker geweest, maar toen Jarro hem aansprak, gaapte hij, lei zijn lagen snuit op de voorpooten, en sliep vast in een oogenblik.
De kat zag op Caesar neer met een sluwen lach.
"Ik geloof, dat Caesar je liever niet antwoorden wil," zei ze