tegen Jarro. "'t Gaat met hem als met alle honden. Ze willen nooit erkennen, dat de menschen iets verkeerds kunnen doen. Maar je kunt mij op mijn woord gelooven. Ik zal je zeggen waarom de menschen juist nu het Takermeer willen droogmaken. Zoolang jelui, wilde eenden, nog de baas waren op 't meer wilden ze dat niet, want van jelui hadden ze nog wat nut. Maar nu hebben immers ook duikers en zwarte waterhoenders en andere oneetbare vogels bijna alle plasjes en rietbosjes ingenomen, en voor hun genoegen, meenen de menschen, hoeven ze het meer niet te behouden."
Jarro dacht er niet aan Klorina te waarschuwen, maar hij hief den kop op, en Caesar in 't oor:
"Caesar! Jij weet, dat op het Takermeer nog zooveel eenden zijn, dat ze de lucht vullen als wolken. Zeg nu, dat het niet waar is, dat de menschen van plan zijn al die eenden dakloos te maken."
Toen stond Caesar op, en deed een zoo heftigen uitval tegen Klorina, dat ze op een plankje boven aan den muur sprong.
"Ik zal je leeren je mond te houden, als ik slapen wil," schreeuwde Caesar. "Ik weet wel, dat er sprake van is, dat het meer nog van 't jaar zal worden droog gemaakt, maar daar is al zoo dikwijls over gesproken, en er kwam nooit wat van. En die droogmakerij vind ik heelemaal niet goed. Want hoe zal het dan met de jacht gaan, als het Takermeer wordt droog gemaakt? En jij ben een stoffel, als je je daarop verheugt. Waar zullen jij en ik meê spelen, als er geen vogels op het Takermeer zijn?"
DE LOKVOGEL.
Een paar dagen later was Jarro zooveel beter, dat hij door de kamer kon vliegen. Hij werd toen door de huismoeder vaak gestreeld, en de kleine jongen sprong naar buiten, en plukte voor hem de eerste grashalmpjes, die waren opgekomen. Als de huismoeder hem streelde, dacht Jarro, dat al was hij nu zoo sterk, dat hij weer naar het Takermeer zou kunnen vliegen, hij toch liever niet van de menschen zou scheiden. Hij had er niets tegen zijn heele leven bij hen te blijven.
Maar op een morgen vroeg legde de huismoeder over Jarro en soort teugel of strik, die hem belette zijn vleugels te gebruiken, en gaf hem toen aan den jongen, die hem op de hoeve had gevonden. De jongen nam hem onder den arm, en ging met hem naar het Takermeer.
Het ijs was gesmolten, terwijl Jarro ziek was. Het oude, dorre riet van 't vorige jaar stond nog aan de kanten en langs de eilandjes, maar alle waterplanten waren opgekomen in de diepte,