en de groene toppen kwamen al boven aan den waterspiegel. En nu waren bijna alle trekvogels thuis gekomen. De kromme snavels van de pluvieren kwamen uit het water. De duikers zwommen rond met nieuwe veeren kragen om den hals, en de snippen begonnen strootjes te zoeken voor hun nesten.
De jongen ging in een platte boot, legde Jarro op den bodem ervan, en begon zich te boomen naar het midden van het meer. Jarro, die nu gewend was niets dan goeds van de menschen te verwachten, zei tegen Caesar, die ook was meêgegaan, dat hij den jongen heel dankbaar was, omdat hij hem meêgenomen had naar het meer. Maar de jongen had hem niet behoeven te boeien. Hij was niet van plan weg te vliegen. Hierop antwoordde Caesar niets. Hij was niet spraakzaam dien morgen.
Het eenige, wat Jarro een beetje vreemd vond, was, dat de jongen zijn geweer had meegenomen. Hij kon niet gelooven, dat een van die goede menschen daar op de boerderij van plan was op vogels te schieten. Caesar had hem ook bovendien nog gezegd dat de menschen op dezen tijd van het jaar niet op de jacht gingen.
"Het is verboden in dezen tijd," zei hij, "maar dat geldt natuurlijk niet voor mij."
De jongen voer intusschen naar een van de slikeilandjes met riet omringd. Daar ging hij uit de boot, hoopte een stapel oud droog riet opeen, en ging daarachter liggen. Jarro mocht, met den strik over de vleugels en met een lang touw aan de boot vastegmaakt, buiten rond loopen.
Op eens kreeg Jarro een paar van de jongen eenden in het oog, waarmeê hij vroeger heen en weer had gevlogen over het meer. Ze waren ver weg, maar Jarro riep ze met een paar luide kreten. Ze beantwoordden die, en een mooie troep kwam naderbij. Al vóór ze dichtbij hen kwamen, begon Jarro te vertellen van zijn wonderbare redding en van de goedheid van de menschen. Op hetzelfde oogenblik vielen twee schoten achter hem. Drie eenden zonken dood neer in de zee, en Caesar sprong in 't water en haalde ze op.
Toen begreep Jarro alles. De menschen hadden hem gered om hem als lokvogel te gebruiken. En dat was ook gelukt. Drie eenden waren door zij toedoen geschoten. Hij dacht, dat hij zou sterven van schaamte. Hij meende, dat zelfs zijn vriend Caesar hem verachtelijk aanzag, en toen ze thuis kwamen in de kamer durfde hij niet bij den hond gaan liggen slapen.
Den volgenden morgen werd Jarro weer naar buiten gebracht op het meer. Ook nu weer kreeg hij een paar eenden in het oog. Maar toen hij merkte dat ze naar hem toe kwamen, riep hij:
"Weg! weg! Pas op. Ga een anderen kant uit. Daar ligt een jager achter dien hoop riet. Ik ben maar een lokvogel!"