Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/187

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

En werkelijk gelukte het hem, hen te beletten onder schot te komen.

Jarro had nauwelijks den tijd een grasje te proeven, zoo druk had hij het met wacht houden. Hij riep om te waarschuwen, zoodra een vogel in de buurt kwam. Hij waarschuwde zelfs de duikereenden, hoewel hij een hekel aan hen had, omdat zij de wilde eenden uit hun beste schuilhoeken verdrijven. Maar hij wilde niet, dat ook maar één enkele vogel door hem ongelukkig zou worden. En door zijn waakzaamheid moest de jongen naar huis gaan, zonder een schot te hebben gelost.

Toch zag Caesar er minder ontevreden uit dan den vorigen dag, en toen de avond kwam, nam hij Jarro in zijn bek, droeg hem naar den haard, en liet hem slapen tusschen zijn voorpooten.

Maar Jarro tierde niet meer in de kamer. Hij was diep ongelukkig. Hij leed onder de gedachte, dat de menschen hem nooit hadden liefgehad. Als de vrouw of haar kleine jongen bij hem kwam om hem te streelen, stak hij den snavel onder de vleugels, en deed, alsof hij sliep.

Verscheidene dagen had Jarro zijn treurigen wachtdienst voortgezet, en hij was al over 't heele Takermeer bekend. Daar gebeurde het op een morgen, terwijl hij als gewoonlijk riep: "Pas op, vogels! Kom niet in mijn buurt! Ik bn maar een lokvogel," dat er een duikersnest kwam aandrijven naar 't eilandje, waar hij stond vastgebonden. Dat was nu niet zooveel bizonders. 't Was een nest van het vorige jaar, en de duikersnesten zijn zoo gebouwd, dat ze op het water kunnen drijven; dus gebeurt het vaak, dat ze wegdrijven op het meer. Maar Jarro bleef toch staan, en keek naar het nest. Want het kwam zoo regelrecht op het eilandje aan, dat het scheen of iemand zijn vaart bestuurde.

Toen het nest dichterbij kwam, zag Jarro, dat een klein menschje, het kleinste, dat hij nog ooit had gezien, in het nest zat, en het met een paar stokjes voortroeide. En dat menschje riep hem toe:

"Kom zoo dicht bij 't water, als je kunt. Jarro, en houd je klaar om weg te vliegen. Je zult spoedig bevrijd worden!"

Een oogenblik later lag het duikernest bij 't land, maar de kleine roeier kwam er niet uit; hij bleef stil zitten, tusschen takjes en strootjes verborgen. Jarro zat ook bijna onbewegelijk. Hij was als verlamd van angst, dat zijn bevrijder ontdekt zou worden.

Kort daarop kwam een vlucht wilde ganzen aanvliegen. Jarro kwam weer tot zichzelf, en waarschuwde ze, zoo luid roepende, als hij maar kon. Toch vlogen ze verscheidenen malen heen en weer boven zijn hoofd. Ze bleven zoo hoog in de lucht, dat ze buiten schot waren, maar de jongen liet zich toch verleiden om op hen te schieten. Nauwelijks waren die schoten gelost, of het dwergje sprong aan land, trok zijn mesje uit de scheede aan zijn