zij, en sneed het net, dat Jarro's vleugels vasthield, met een paar vlugge sneden door. "Vlieg nu weg. Jarro! eer de knecht op nieuw heeft kunnen laden," riep hij, terwijl hij weer in 't nest sprong, en van land afzette.
De jager had naar de ganzen gekeken, en niet gemerkt, dat Jarro bevrijd was, maar Caesar had beter opgelet, en gezien wat er gebeurde. En juist toen Jarro de vleugels uitsloeg, sprong hij op hem toe, en greep hem bij den nek.
Jarro schreeuwde erbarmelijk. Maar de dwerg, die hem bevrijd had, zei met de grootste kalmte tegen Caesar:
"Als jij zoo eerlijk ben, als je er uitziet, kun je toch niet een goeden vogel willen dwingen om hier te zitten, en andere in hun ongeluk te lokken."
Toen Caesar dat hoorde, grijnsde hij akelig met de bovenlip. Maar een oogenblik later liet hij Jarro los. "Vlieg maar weg, Jarro," zei hij. "Je ben zeker te goed om een lokvogel te zijn. Daarvoor wou ik je ook niet houden, maar alleen, omdat ik je zoo zal missen in de kamer."
HET DROOGMAKEN VAN HET MEER.
't Was wezenlijk heel stil in de kamer, toen Jarro weg was. De hond en de kat vonden den dag lang, nu ze hem niet meer hadden om over te kibbelen, en de vrouw miste zijn vroolijk gesnater, telkens als zij de kamer binnen kwam. Maar wie het meest naar Jarro verlangde, was het kleine jongetje, Peer Ola. Peer Ola was pas drie jaar oud, en had in zijn heele leven nog niet zoo'n speelkameraad gehad als Jarro. Toen hij hoorde, dat Jarro weer naar het Takermeer en de andere eenden was teruggegaan, kon hij daarmeê niet tevreden wezen, maar dacht er telkens aan, hoe hij hem terugkrijgen zou.
Peer Ola, had veel met Jarro gepraat, terwijl die stil in zijn mandje lag, en hij was er van overtuigd, dat de eend hem begreep. Hij vroeg Moeder, of zij hem bij het meer wou brengen, dan zou hij Jarro wel zien en hem overhalen weer terug te komen. Maar Moeder wilde dat niet. Toch gaf Peer Ola daarom zijn plan niet op.
Den dag nadat Jarro verdwenen was, liep Peer Ola buiten op de plaats. Hij speelde als gewoonlijk alleen, maar Caesar lag op de stoep, en toen Moeder den jongen buiten liet, had ze gezegd:
"Le op Peer Ola, Caesar."
Als nu alles was geweest als gewoonlijk, had Caesar ook het bevel opgevolgd, en de jongen was zoo goed bewaakt geworden,