dat hij niet het minste gevaar had geloopen. Maar Caesar was in die dagen zichzelf niet. Hij wist, dat de boeren, die om het Takermeer woonden, weer dachten over het droogmaken van het meer, en dat ze er bijna toe besloten waren. De eenden moesten weg, en Caesar zou nooit meer op jacht kunnen gaan. Hij was zóó vervuld met de gedachte aan dit ongeluk, dat hij er niet aan dacht, dat hij op Peer Ola passen moest.
En de kleine was nauwelijks alleen op de plaats, of hij begreep, dat nu het rechte oogenblik gekomen was om naar het Takermeer te gaan en met Jarro te spreken. Hij deed een hek open, en stapte naar het meer, op het smalle pad, dat over de lage weiden liep. Zoolang men hem van huis uit kon zien, liep hij langzaam, maar later zoo hard als hij kon. Hij was zoo bang, dat Moeder of iemand anders hem roepen zou, zoodat hij er niet heen kon gaan. Hij wou immers geen kwaad doen. Hij wou alleen Jarro overhalen om terug te komen. Toch voelde hij wel, dat ze dat thuis niet goed zouden vinden.
Toen Peer Ola aan den oever van 't meer was gekomen, riep hij meer dan eens om Jarro. Toen stond hij een heele poos te wachten, maar Jarro verscheen niet, hij zag wel veel vogels, die op hem leken, maar ze vlogen voorbij zonder naar hem te kijken, en hij begreep dus, dat zij de rechte niet waren.
Toen Jarrie niet bij hem kwam, dacht de kleine jongen, dat hij hem zeker gemakkelijk zou vinden, als hij maar op 't meer kon komen. Er lagen veel goede vaartuigen aan den kant, maar zij waren vastgebonden. De eenige, die daar los een leeg lag, was een oude droge schuit, maar zoo slecht was ze, dat niemand er aan dacht ze te gebruiken. Maar Peer Ola kroop er in, zonder er om te geven, dat de heele bodem onder water lag. Hij kon de riemen niet gebruiken, maar hij begon met de boot te wiegen en te schommelen. Zeker zou het een volwassen mensch niet gelukt zijn op die manier een boot vlot te krijgen op het Takermeer, maas als 't water hoog is, en 't ongeluk het wil, hebben kleine kinderen er een wonderlijken slag van op 't water te komen. Al gauw dreef Peer Ola rond op het Takermeer, en riep om Jarro.
Toen de oude boot daar op het meer schommelde gingen zijn spleten hoe langer hoe verder open, en het water stroomde naar binnen. Maar Peer Ola gaf daar niet om. Hij zat op het kleine bankje in de voorsteven, riep elken vogel, dien hij zag, en was er verbaasd over, dat Jarro niet kwam.
Eindelijk kreeg Jarro werkelijk Peer Ola in het oog. Hij hoorde, dat iemand hem bij den naam riep, dien hij onder de menschen had gehad. En hij begreep, dat de jongen op het Takermeer was gekomen om hem op te zoeken. Jarro werd in eens onuitsprekelijk