Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/190

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

blij, omdat een van de menschen hem werkelijk liefhad. Hij schoot neer bij Peer Ola als een pijl uit de lucht, ging naast hem zitten, en liet zich door hem streelen. Zij waren allebei even gelukkig, omdat ze elkander weer zagen.

Maar op eens merkte Jarro, hoe het met de boot gesteld was. Die was halfvol water geloopen en op het punt te zinken. Jarro probeerde Peer Ola te vertellen, dat hij, die niet vliegen of zwemmen kon, moest zien aan land te komen, maar Peer Ola begreep hem niet. Toen wachtte Jarro geen oogenblik meer, maar vloog gauw weg om hulp te halen. Hij kwam een oogenblik later terug met een dwergje op zijn rug, dat veel kleiner was dan Peer Ola. Als hij niet had kunnen spreken en zich bewegen, zou de jongen gedacht hebben, dat hij een pop was. En dat dwergje zei Peer Ola, dat hij dadelijk een lange, dunne stang moest opnemen, die op den bodem van de boot lag, en probeeren zich daarmee voort te duwen naar een van de rieteilandjes. Peer Ola gehoorzaamde onmiddellijk, en het dwergje hielp hem de boot voort te duwen. Al gauw waren ze bij een van de eilandjes tusschen 't riet, en nu kreeg Peer Ola 't bevel aan land te stappen. Op 't zelfde oogenblik, dat hij den voet aan wal zette, liep de boot vol water, en zonk.

Toen de jongen dat zag, voelde hij, dat Vader en Moeder heel boos op hem zouden wezen. Hij zou zijn begonnen te schreien, als hij niet dadelijk wat anders had gehad om over te denken. Daar kwam op eens een troep groote grijze vogels aan; zij streken neer op het eiland, en het dwergje nam hem meê, en vertelde hem hoe ze heetten, en wat ze zeiden. En dat was zóó prettig, dat Peer Ola al het andere vergat.

Intusschen hadden de menschen op de boerderij gemerkt, dat Peer Ola weg was, en zochten hem. Ze zochten in de bijgegbouwen, keken in den put en in den kelder. Toen liepen zij verder op paden en wegen naar de boerderijen in de buurt, om te hooren of hij ook daarheen verdwaald was, en vonden zijn spoor ook tot bij het Takermeer. Maar hoe ze ook zochten, ze konden hem niet vinden.

Caesar, de hond, begreep heel goed, dat zijn volk naar Peer Ola zocht, maar hij deed niets om hen te helpen. Integendeel, hij bleef stil liggen, alsof hem dat alles niet aanging.

Verder op den dag vond men Peer Ola's voetstappen bij de booten. En toen merkte men, dat de oude droge boot niet meer op den kant lag, en men begon te begrijpen, hoe alles was gegaan.

De boer en zijn kechts maakten dadelijk de booten los om den jongen te zoeken. Ze roeiden over 't meer heen en weer tot den avond zonder een glimp van hem te zien. Ze konden niet anders