denken, dan dat de oude boot gezonken was, en dat de kleine jongen dood op den bodem van het meer lag.
Dien avond zwierf Peer Ola's moeder aan den oever. Alle anderen waren er van overtuigd, dat het kind verdronken was, maar ze kon het niet gelooven, en bleef zoeken. Ze zocht tusschen riet en biezen, en liep heen en weer op den natten grond, zonder er aan te denken, hoe haar voeten er in wegzonken, en hoe nat ze werd.
Ze was diep wanhopend. Het hart deed haar pijn in de borst. Ze schreide niet, maar wrong de handen, en riep haar kind met luide, klagende stem. Om zich heen hoorde zij het roepen van zwanen, eenden en pluvieren. Ze meende dat die met haar meê gingen, en ook klaagden en jammerden.
"Ze hebben zeker verdriet, dat ze zoo jammeren," dacht ze. Maar dan bedacht ze zich. 't Waren immers maar vogels, die ze hoorde. Die hadden toch zeker geen zorgen. 't Was vreemd, dat ze niet stil werden na zonsondergang. Ze hoorde al de ontelbare troepen vogels om het Takermeer telkens schreeuwen. Verscheidene van hen volgden haar, waar ze ook heen ging. Andere kwam snel voorbij vliegen. De heele lucht was vol klachten en gejammer.
Maar die angst, die ze zelf voelde, opende haar hart. Ze vond, dat ze niet zoo ver van alle andere levende wezens af stond, als de menschen gewoonlijk doen. Ze begreep veel beter dan ooit te voren, hoe de vogels het hadden. Ze hadden hun dagelijksche zorg voor huis en kinderen, evenals zij. Er was zeker niet zoo'n groot verschil tusschen hen en haar, als ze tot nu toe had gemeend.
Zoo kwam zij ertoe er aan te denken, dat het zoo goed als uitgemaakt was, dat al die duizenden zwanen en eenden en zeeduikers hun tehuis hier bij het Takermeer zouden moeten missen.
"Dat wordt toch moeilijk voor hen," dacht ze. "Waar zullen ze dan hun jongen opvoeden?"
Ze bleef staan, en dacht daarover na, het leek wel een goed en prettig werk — een meer in akkers en weiden te veranderen, maar er was toch wel een ander meer dan het Takermeer, een ander meer, waar niet zooveel duizenden dieren woonden.
Ze dacht er aan, dat den volgenden dag het besluit van het droogmaken van het meer genomen moest worden, en ze vroeg zich af, of misschien daarom haar kleine jongen juist vandaag was heengegaan. Of het misschien Gods bedoeling was, dat de smart haar hart zou komen openen voor barmhartigheid, vandaag, eer het te laat was om die wreede daad weer goed te maken.
Ze ging snel naar de hoeve terug, en begon met haar man over dit alles te spreken. Ze sprak over het meer en over de vogels, en zei hem, dat zij geloofde, dat Peer Ola's dood een