Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/193

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

XIX.

DE VOORSPELLING.



Op een nacht lag de jongen te slapen op een eilandje in 't Takermeer, maar hij werd wakker van riemslagen. Nauwelijks had hij de oogen geopend, of er viel hem zoo'n schelle lichtgloed in 't gezicht, dat hij ze weer dichtkneep.

Eerst kon hij niet begrijpen, wat het was, dat zoo helder scheen op 't meer daarbuiten, maar al gauw zag hij, dat er tusschen 't riet aan den kant een platte boot lag, met een groote brandende teerfakkel op een ijzeren stang op den achtersteven. De roode vlammen van de fakkel spiegelden zich helder in het, door nachtelijk duister, pikdonkere meer, en de prachtige gloed moest de visschen hebben aangelokt, want rondom de vlammen in de diepte waren een massa donkere plekken te zien, die zich aanhoudend bewogen, en van plaats verwisselden.

In de boot waren twee mannen. De eene zat bij de riemen, de andere stond bij de achterste roeibank, en hield een korte piek, met groove weerhaken voorzien, in de hand. Hij, die roeide, scheen een arme visscher te zijn. Hij was een klein, droog, verweerd mannetje, en had een dunne, versleten jas aan. Men kon zien, dat hij gewoon was in alle weer en wind buiten te zijn, en dat hij niet om de kou gaf. De andere was goed doorvoed en goed gekleed, en zag er uit als een flinke, van zijn waardigheid bewuste boer.

"Houd nu hier stil," zei de boer, toen ze vlak voor het eilandje waren gekomen, waar de jongen lag. En meteen stootte hij met die piek in het water. Toen hij die terugtrok, kwam er een lange prachtige paling meê uit de diepte.

"Ziezoo!" zei hij, terwijl hij het dier van den palingsteker losmaakte. "Dat is er een, die er wezen mag. Nu geloof ik, dat we zooveel hebben, dat we wel naar huis kunnen gaan."

Maar zijn metgezel hief de riemen niet op. Hij zat rond te kijken