Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/194

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

"'t Is zoo mooi hier op 't meer vanavond," zei hij. En dat was het ook. 't Was heel stil, zoodat de heele waterspiegel in ongestoorde rust lag, behalve de streep, waardoor de boot was gekomen; die lg te glinsteren in den vuurgloed als een gulden weg. De heldere hemel was diep blauw en dicht met sterren bezaaid. 't Strand lag verscholen achter de rietbossen in 't westen. Daar verhief zich de Omberg, hoog en donker, veel kolossaler dan hij gewoonlijk was, en sneed een groot, driehoekig stuk uit het hemelgewelf.

De andere zag om, zoodat hij den vuurgloed uit de oogen kon houden, en keek rond.

"Ja, 't is hier mooi in Östergyllen," zei hij. "Maar het beste van het landschap is niet, dat het zoo mooi is."

"Wat is het dan?" vroeg de roeier.

"Ja, — dat het een land is, dat in eer en aanzien staat."

"Ja, dat kan wel zijn."

"En dan, dat men weet, dat het altijd zoo blijven zal."

"Hoe ter wereld kan men dat weten?" vroeg hij, die bij de riemen zat.

De boer richtte zich op, waar hij stond, en leunde op de piek.

"Er is een oud verhaal, dat in onze familie van vader op zoon is overgegaan, en daardoor kun je weten, hoe het met Oostgothland zal gaan," zei hij.

"Dat kon je me wel eens vertellen," zei de roeier.

"We zijn nu juist niet gewoon het aan iedereen te vertellen, maar voor een ouden kameraad wil ik het niet geheim houden.

"Op Ulvasa, hier in Oostgothland," ging hij voort, en nu was het aan zijn toon te hooren, dat hij over iets sprak, dat hij van anderen had gehoord, en dat hij van buiten kende, "woonde jaren geleden een vrouw, die de gave had in de toekomst te kunnen zien, en de menschen te kunnen zeggen, wat hun zou overkomen. En dat kon ze zóó zeker, en nauwkeurig doen, alsof het al gebeurd was. Daardoor werd ze ver in 't rond beroemd, en 't is te begrijpen, dat de menschen van heinde en ver kwamen toestroomen, om haar te bezoeken, en te hooren, wat ze zouden moeten doormaken aan lief en leed.

Op een dag, dat de vrouw van Ulvasa in haar zaal zat te spinnen, zooals de vrouwen vroeger plachten te doen, kwam er een arme boer de kamer in, en ging op de bank heel dicht bij de deur zitten.

"Ik zou graag willen weten, waar u aan zit te denken, lieve Vrouwe," zei de boer na een poosje.

"Ik zit aan verheven en heilige dingen te denken," antwoordde zij.

"Dan gaat het zeker niet aan, dat ik u naar iets vraag, wat mij na aan 't hart gaat," zei de boer.