Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/196

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

"'t Is niet gemakkelijk het je naar den zin te maken," zei de vrouw van Ulvasa. "Maar zóó ver kan ik nog wel vooruit zien, dat ik je kan zeggen: eer het klooster van Vadstena zijn glans verliest, zal daarnaast een kasteel verrijzen, dat het prachtigste in zijn tijd zal wezen. Koningen en vorsten zullen het bezoeken, en het zal deze streek tot eer worden gerekend, zulk een sieraad te bezitten."

"Daar ben ik ook heel blij om, dat ik dat hoor," zei de boer.

"Maar ik ben een oud man, en ik weet, hoe het gewoonlijk gaat met alle heerlijkheid van deze wereld. En als het slot vervallen is, wat zal dan de oogen van de menschen op dit land vestigen?"

"Het is geen kleinigheid, wat je wil weten," zei de vrouw van Ulvasa, "maar ik kan wel zoover in de toekomst zien, dat ik merken kan, hoe er leven en beweging komt in de bosschen om Finspang heen. Ik zie, dat er hutten en smederijen verrijzen, en ik geloof, dat het heele land geëerd zal worden, omdat er nu ijzer bewerkt wordt."

De boer kon niet ontkennen, dat hij verbazend blij was dat te hooren. Maar als het nu eens zoo ongelukkig ging, dat ook Fispangs fabriek in aanzien afnam, dan zou het toch niet mogelijk zijn, dat er iets nieuws kwam, waar Oostgothland zich op beroemen kon.

"Je bent niet gemakkelijk te voldoen," zei de vrouw van Ulvasa, "maar ik kan nog wel zoover vooruit zien, dat ik merk, hoe er aan de oevers van het meer buitenhuizen als kasteelen worden opgebouwd, alsof ze van heeren waren, die oorlog hebben gevoerd in vreemde landen. Ik geloof, dat de heerenhoeven het land evenveel in aanzien zullen doen toenemen, als al het andere, waarover ik heb gesproken."

"Maar als er nu een tijd komt, dat niemand die heerenhoeven meer prijst?" hield de boer aan.

"Je hoeft niet zoo bang te wezen," zei de vrouw van Ulvasa.

"Ik zie, hoe er geneeskrachtige bronnen opborrelen op de velden van Medevi, bij het Wettermeer. Ik geloof, dat de bronnen op Medevi het land zoo beroemd zullen maken, als je maar wenschen kunt."

"Dat is een gewichtig ding om te hooren," zei de boer. "Maar als er nu een tijd komt, dat de menschen hun genezing bij andere bronnen zoeken?"

"Daar moet je niet bezorgd over wezen," antwoordde de vrouw van Ulvasa. "Ik zie, hoe de menschen door elkaar wemelen en werken, van Motala tot Mem. Zij graven een verkeersweg dwars door het land, en dan kom Oostgothlands roem weer op aller lippen."

Maar de boer bleef er ongerust uitzien.